Klacht van de IGJ tegen een anesthesioloog-intensivist. De IGJ verwijt de anesthesioloog dat hij in strijd met de Geneesmiddelenwet enoximon in de thuissituatie heeft voorgeschreven terwijl het daar niet voor is geregistreerd. Ook heeft de anesthesioloog volgens de IGJ daarbij de zorgvuldigheidseisen niet in acht genomen door niet (vooraf) te overleggen met de huisarts van de patiënte en haar onvoldoende te monitoren tijdens het gebruik van het middel. Het college komt tot het oordeel dat de anesthesioloog tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en de klacht gegrond is. Het college legt de anesthesioloog de maatregel van doorhaling in het BIG-register met onmiddellijke ingang op.
RTG Zwolle 12 maart 2026, ECLI:NL:TGZRZWO:2026:41
Klaagster heeft een onderzoek ondergaan bij de psychiater naar een mogelijke autismespectrumstoornis. De psychiater heeft na twee gesprekken geconcludeerd dat bij klaagster geen sprake is van ASS, maar hooguit van een communicatiestoornis. De klacht van klaagster gaat over de bejegening en over de wijze van onderzoek. Daarnaast is klaagster van mening dat de psychiater een verkeerde diagnose heeft gesteld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht voor een deel gegrond verklaard en de psychiater daarvoor de maatregel van berisping opgelegd. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege zal de klacht op twee extra onderdelen gegrond verklaren en bepalen dat kan worden volstaan met handhaven van de maatregel van berisping.
CTG 11 maart 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:43
Klaagster werd in het ziekenhuis opgenomen met verdenking van de ziekte GPA (granulomatose met polyangiitis), een zeldzame auto-immuunziekte. voorheen bekend als de ziekte van Wegener. Klaagster verwijt de internist dat zij geen regie heeft genomen, dat zij de diagnose GPA eerder had moeten stellen en dus ook eerder met de behandeling had moeten starten. De klacht is ongegrond. Het beleid was tijdens klaagsters eerste opname volgens de richtlijnen en er was geen aanleiding om van de richtlijnen af te wijken. Bij de tweede opname was er wellicht aanleiding om eerder met de behandeling te starten, maar bestond nog steeds geen duidelijkheid over de diagnose. De vertraging van enkele dagen in de aanvang van de behandeling door nog eens met een expertisecentrum te overleggen, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De internist was slechts één van de vele artsen die bij klaagster aan het bed zijn geweest. Zij bepaalde niet het beleid. Het lag niet op haar weg om (eenzijdig) een diagnose te stellen en/of om een - met reden - uitgestelde behandeling te starten.
RTG Den Bosch 11 maart 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:49
Ongegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater heeft klaagster gesproken en geconcludeerd dat er bij klaagster sprake was van een manisch toestandsbeeld vermoedelijk in het kader van een bipolaire 1 stoornis, waarvoor hij medicatie heeft voorgeschreven. Klaagster verwijt de psychiater dat hij zijn conclusie op een verkeerde basis heeft getrokken en ze is het niet eens met (de dosering van) de voorgeschreven medicatie. De psychiater stelt dat hij zijn conclusie op goede gronden heeft gebaseerd en dat de medicatie bedoeld was ter voorkoming van een crisisopname. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het hiermee eens en zal het beroep van klaagster verwerpen.
CTG 11 maart 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:44
Klaagster werd in het ziekenhuis opgenomen met verdenking van de ziekte GPA (granulomatose met polyangiitis), een zeldzame auto-immuunziekte, voorheen bekend als de ziekte van Wegener. Klaagster verwijt de internist dat zij geen regie heeft genomen, dat zij de diagnose GPA eerder had moeten stellen en dus ook eerder met de behandeling had moeten starten. De klacht is ongegrond. Het beleid was tijdens klaagsters eerste opname volgens de richtlijnen en er was geen aanleiding om van de richtlijnen af te wijken. Bij de tweede opname was er wellicht aanleiding om eerder met de behandeling te starten, maar bestond nog steeds geen duidelijkheid over de diagnose. De vertraging van enkele dagen in de aanvang van de behandeling door nog eens met een expertisecentrum te overleggen, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Klacht tegen een huisarts. Klager is [gezaghebbende] de vader van een dochter, over wie hij het ouderlijk gezag heeft. Met het oog op een ondertoezichtstellingsprocedure bij de rechtbank heeft de huisarts (niet de eigen huisarts van moeder of dochter) in opdracht van moeder, zonder toestemming van klager, de dochter onderzocht en een schriftelijke verklaring afgelegd. Klager verwijt de huisarts dat zij: 1. zijn dochter heeft onderzocht/behandeld zonder zijn toestemming als [gezaghebbende] ouder [met gezag]; 2. ongefundeerde en belastende uitlatingen heeft gedaan over klager en zijn dochter die haar competentiegebied overstijgen. Deze uitlatingen zijn in strijd met gegronde bevindingen van de bevoegde rechtbank en in strijd met de bevindingen van de door deze rechtbank aangestelde psycholoog-deskundige en de Raad voor de Kinderbescherming; 3. klager als [gezaghebbende] ouder geen informatie heeft gegeven over het onderzoek/behandeling van zijn dochter en over de mogelijkheden tot het indienen van een klacht over haar werkwijze. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht in al haar onderdelen gegrond en legt de huisarts een gedeeltelijke ontzegging op van de bevoegdheid om haar beroep uit te oefenen, in die zin dat het verweerster niet is toegestaan om in de hoedanigheid van huisarts of arts schriftelijk en/of mondeling verklaringen of rapportages over personen af te geven, onder welke naam en van welke aard ook en ongeacht met welk doel, en bepaalt dat de maatregel onmiddellijk van kracht wordt. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de huisarts.
CTG 11 maart 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:41
Ongegronde klacht tegen een reumatoloog. Klaagster is circa 5 maanden onder behandeling geweest van de reumatoloog. Klaagster verwijt de reumatoloog onder meer dat zij te lang en in een te hoge dosering Prednisolon heeft voorgeschreven. Het college stelt vast dat bij klaagster sprake was van een ernstige aandoening waarvoor snelle en adequate onderdrukking van ziekteactiviteit noodzakelijk was. Het voorschrijven van hoge doseringen Prednisolon was hierbij gebruikelijk en medisch geïndiceerd. Uit het dossier blijkt dat de reumatoloog de ziekteactiviteit van klaagster structureel heeft gemonitord en het beleid telkens heeft aangepast aan het beloop van de aandoening. Dat achteraf is geoordeeld dat eerder of sneller afbouwen mogelijk was geweest, maakt niet dat de reumatoloog ten tijde van haar handelen buiten de grenzen van een redelijk bekwame en redelijk handelende reumatoloog is getreden. Ook de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.
RTG Amsterdam 10 maart 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:48
Ongegronde klacht tegen psychiater. Klaagster verwijt de psychiater dat bij haar onder dwang een voedingssonde is geplaatst en stelt dat het gebruikte apparaat illegaal was. Klaagster had toestemming gegeven voor plaatsing op vrijwillige basis. Het verplegend personeel heeft dit verkeerd begrepen en de sonde zonder medeweten van de psychiater onder dwang ingebracht. De psychiater treft geen persoonlijk verwijt. Het gebruikte apparaat was state of the art.
RTG Amsterdam 6 maart 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:43
Ongegronde klacht tegen plastisch chirurg. Patiënte diende bij de geschillencommissie een klacht in tegen de plastisch chirurg in verband met een door hem uitgevoerde buikwandcorrectie. Tijdens de zitting van de geschillencommissie heeft een onafhankelijke chirurg in het bijzijn van plastisch chirurg, in een aparte ruimte het litteken van patiënte bekeken en opgemeten. Patiënte verwijt de plastisch chirurg dat hij tijdens het onderzoek door de onafhankelijk chirurg, dat grensoverschrijdend was, niet heeft ingegrepen en dat hij een dag na de zitting een e-mail heeft gestuurd met ongepaste inhoud. Het college kan niet vaststellen dat de plastisch chirurg had moeten ingrijpen omdat de wijze van onderzoek door de onafhankelijke chirurg niet kan worden vastgesteld. Het versturen van het e-mailbericht was zeer onhandig, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
RTG Den Bosch 4 maart 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:43
Relevante gezondheidsrechtelijke ontwikkelingen op gebied van wet- en regelgeving en rechtspraak. Dit overzicht is opgesteld door de gezondheidsjuristen van de KNMG.
Het is mogelijk dat uitspraken opgenomen in het onderdeel rechtspraak nog niet onherroepelijk zijn en dat hier nog hoger beroep tegen in wordt gesteld.