Partner en minderjarige kinderen van klager verbleven op geheime locatie. De huisarts was, onder de gegevens omstandigheden, niet verplicht om klager te informeren over verrichtingen (van niet ingrijpende aard) bij zijn minderjarige kinderen. De verrichtingen zijn bovendien niet door de huisarts zelf verricht. Verzoeken van klager om inzage in de medisch dossiers van kinderen zijn niet genegeerd. Communicatie had beter gekund, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De huisarts heeft klager wel serieus genomen en een adequate oplossing geboden.
Klager is gehuwd en heeft twee kinderen. De partner van klager is op enig moment met de kinderen in een blijf-van-mijn-lijfhuis terechtgekomen. Huisarts houdt praktijk in de regio. In deze praktijk zijn de kinderen en de partner van klager als passanten ingeschreven en een aantal keer gezien voor kleine medische aandoeningen. Klager is van mening dat hij onvoldoende is geïnformeerd, dat er zonder toestemming medische zorg is verleend, dat er geen inzage is gegeven in de medische dossiers en dat hij niet serieus is genomen nadat er een klacht was ingediend bij de Stichting Klachten en Geschillen Eerstelijnszorg (SKGE).
Voor zover klager heeft bedoeld te stellen dat sprake was van een bijzondere situatie zodat de huisarts er niet vanuit mocht gaan dat hij werd geïnformeerd, geldt het volgende. In de KNMG richtlijn wordt gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van de ouders om elkaar te informeren en met elkaar te overleggen over medische behandelingen van hun kinderen. Hoewel in dit geval sprake was van een bijzondere situatie en verweerster niet zonder meer ervan uit kon gaan dat de partner van klager hem zou informeren over de medische behandelingen, geldt in dit geval ook dat de partner van klager en de kinderen waren geplaatst in een blijf van mijn lijfhuis. De huisarts heeft op dat moment te respecteren dat aan klager niet bekend wordt gemaakt waar de partner van klager en de kinderen zich bevinden. Het geven van informatie door de huisarts zou ertoe hebben kunnen leiden dat klager kon achterhalen waar de partner van klager en de kinderen zich bevonden. De huisarts kon ook om deze reden afzien van het actief informeren van klager. Dat de huisarts zelfstandig onderzoek zou hebben moeten doen naar de juistheid van de aantijgingen van de partner van klager, zoals klager kennelijk veronderstelt, kan het college niet volgen. Een dergelijk onderzoek dient door de daartoe aangewezen instanties te worden gedaan, niet door de huisarts.
RTG ’s-Hertogenbosch, 22 april 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:75
Klaagster verwijt de plastisch chirurg dat hij tijdens een operatie tegen haar is uitgevaren en haar daarbij ezel heeft genoemd. Tweede tuchtnorm van toepassing. De uitingen zijn niet alleen gedaan tegen de achtergrond van de arts-patiëntrelatie, maar hebben ook direct invloed op de (sociale) veiligheid van de werkomgeving waarbinnen deze zorg wordt verleend. Geen rechtvaardiging voor het gedrag van de plastisch chirurg. De plastisch chirurg is als operateur ook verantwoordelijk voor een veilige werksfeer. Een veilig werkklimaat is essentieel voor een goede patiëntenzorg. Het college heeft niet de overtuiging gekregen dat de plastisch chirurg in staat is tot een grondige reflectie op zijn gedrag. Berisping met publicatie opgelegd.
De plastisch chirurg heeft erkend dat hij is uitgevaren tegen klaagster en haar daarbij ezel heeft genoemd. Hij heeft daarvoor excuses aangeboden en stelt zich op het standpunt dat het slechts om een incident ging zonder gevolgen voor de patiëntenzorg. De plastisch chirurg is van mening dat klaagster over het voorval niet kan klagen bij het tuchtcollege, omdat het zuiver om een kwestie in de werkrelatie gaat die niets te maken heeft met de (kwaliteit van de) patiëntenzorg. De plastisch chirurg heeft daarom in eerste instantie betoogd dat klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen.
Om een tuchtklacht ter beoordeling aan het Tuchtcollege voor te kunnen leggen moet klaagster aan te merken zijn als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65 lid 1 sub a van de Wet op de beroepen in de Gezondheidszorg (Wet BIG). Het belang moet een concreet eigen belang inhouden dat verband houdt met de individuele gezondheidszorg. Daarbij moet het handelen waarover wordt geklaagd vallen onder een van de twee tuchtnormen. Er moet sprake zijn van onzorgvuldig handelen of nalaten in de behandelrelatie ten opzichte van de patiënt of diens naaste betrekking (de eerste tuchtnorm, art. 46 lid 1 sub a Wet BIG) of het moet gaan om ander handelen of nalaten, in strijd met datgene dat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt (de tweede tuchtnorm, art. 46 lid 1 sub b Wet BIG), waarbij deze norm wordt begrensd tot die gevallen waarin dat handelen voldoende weerslag heeft op de kwaliteit van de individuele gezondheidzorg. Het tuchtrecht voor de gezondheidszorg is immers bedoeld als instrument om de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bevorderen en te bewaken. Dit alles betekent concreet als het gaat om klachten die worden ingediend door collega-zorgverleners dat er in beginsel in het tuchtrecht geen plaats is voor klachten die gaan over oncollegiaal gedrag. Dat is volgens vaste jurisprudentie alleen anders wanneer het oncollegiale gedrag tot gevolg heeft dat er risico’s ontstaan voor de kwaliteit van patiëntenzorg (CTG 26 mei 2025, ECLI:NL:TGZCTG:2025:89). Het college is van oordeel dat hiervan in deze zaak sprake is.
Het Tuchtcollege overweegt daartoe het volgende. De gedragingen van verweerder zijn rechtstreeks gericht tegen klaagster en de uitingen zijn niet alleen gedaan tegen de achtergrond van de arts-patiëntrelatie, namelijk tijdens een operatie, maar hebben ook direct invloed op de (sociale) veiligheid van de werkomgeving waarbinnen deze zorg wordt verleend. Het college kan de anesthesiemedewerker en klaagster daarom goed volgen als zij verklaren dat het voorval met de plastisch chirurg hun handelen heeft beïnvloed tijdens de operatie en in ieder geval heeft doorgewerkt in de wijze waarop zij zorg hebben verleend tijdens de opvolgende operaties die dag. Daarbij is op de videobeelden te zien dat de plastisch chirurg tijdens de uitbarsting tegen klaagster de deur naar de niet-steriele gang heeft geopend om klaagster aan te moedigen de OK te verlaten, zulks in strijd met het hiervoor geldende protocol. Dat één en ander waarschijnlijk zonder gevolgen is gebleven voor de desbetreffende patiënten maakt dit niet anders. Daar komt bij dat dit gedrag zoals ter zitting is gebleken, anders dan in het verweerschrift is vermeld niet eenmaal, maar veel vaker is voorgekomen waardoor geen sprake meer is van een eenmalige faux pas, maar van een gedragspatroon. Het college is daarom van oordeel dat klaagster kan worden ontvangen in haar klacht, omdat zij gezien het voorgaande kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende en het handelen waarover wordt geklaagd onder de tweede tuchtnorm kan worden gebracht.
RTG Amsterdam, 17 april 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:82
Klaagster en verweerder zijn beiden huisarts en zijn in mei 2024 een maatschapsovereenkomst aangegaan. Omdat de aangeklaagde huisarts 3 maanden voordat de samenwerking van start zou gaan betrokken raakte bij een verkeersongeval en daar blijvende klachten van ondervond, raakte hij arbeidsongeschikt. De aangeklaagde huisarts heeft (mede) daarom de samenwerking met klaagster opgezegd. Daarna zijn klaagster en verweerder verwikkeld in een zakelijk geschil. Klaagster verwijt verweerder dat hij de continuïteit van zorg in gevaar heeft gebracht door het abrupt uitschrijven uit de maatschap. Het is duidelijk dat de klacht niet gaat over een behandelrelatie tussen klaagster en verweerder. Daarmee is de eerste tuchtnorm, artikel 47 lid 1 onder a van de Wet op de beroepen van de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), niet van toepassing. De zogenoemde tweede tuchtnorm, neergelegd in artikel 47 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet BIG, houdt in dat een BIG-geregistreerde zorgverlener ook aan tuchtrecht is onderworpen ter zake van ander handelen of nalaten in strijd met wat een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Een klacht daarover kan – volgens artikel 65 lid 1 aanhef en onder a van de Wet BIG – worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende. In dat kader moet beoordeeld worden of er aan de zijde van een klager sprake is van een rechtstreeks belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Door het Centraal Tuchtcollege is in eerdere uitspraken bepaald dat een collega-zorgverlener kan worden aangemerkt als klachtgerechtigd in de zin van artikel 65 van de Wet BIG. In zo’n geval moet de klagende collega als medisch beroepsbeoefenaar een concreet belang hebben dat verband houdt met de individuele gezondheidszorg.
Wat betreft de klacht met betrekking tot het schenden van de collegiale verantwoordelijkheid oordeelt het Tuchtcollege dat dit niet een door het tuchtrecht te beschermen belang is. Voor wat betreft de klacht over het in gevaar brengen van de continuïteit en toegankelijkheid van zorg aan de patiënten van klaagster, door het abrupt uitschrijven uit de maatschap, kan het college niet oordelen dat verweerder hier tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat klaagster deze verwijten niet nader heeft geconcretiseerd. Het RTG verklaart de klachten als ongegrond.
RTG’s-Hertogenbosch, 22 april 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:72
Psychiater gaat in beroep tegen een tegen hem gegrond verklaarde klacht door het Regionaal Tuchtcollege. De klacht gaat over een door de psychiater opgesteld keuringsrapport rijgeschiktheid van klager, waarin werd geconcludeerd dat klager niet rijgeschikt was. Klager was het daar niet mee eens en liet een onafhankelijke herkeuring doen, daaruit kwam naar voren dat er geen beperkingen waren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft geoordeeld dat de psychiater in het rapport op onvoldoende inzichtelijke en consistente wijze uiteen heeft gezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. De psychiater heeft in dit geval op meerdere onderdelen onvoldoende blijk gegeven van de vereiste vakkundigheid en zorgvuldigheid, niet alleen bij het afnemen van het onderzoek maar ook bij het opstellen van de rapportage. Gelet op de opstelling van de psychiater in de aan de tuchtprocedure voorafgaande correspondentie tussen hem en klager en ook in de procedure voor het Regionaal Tuchtcollege heeft de psychiater weinig zelfinzicht en -reflectie getoond. Het Regionaal Tuchtcollege acht een berisping daarom passend en geboden.
Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de psychiater. Net als het Regionaal Tuchtcollege oordeelt het Centraal Tuchtcollege de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden. Het Centraal Tuchtcollege deelt het standpunt van de psychiater dat hij is gebleven binnen de grenzen van een zorgvuldig uitgevoerde keuring niet. De rapportage voldoet immers niet aan de eisen, de bevindingen -indien juist- kunnen de conclusie niet dragen en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek is te summier geweest. Ook in beroep, zowel in het beroepschrift als bij de beantwoording van de vragen van het Centraal Tuchtcollege tijdens de zitting, heeft de psychiater bovendien onvoldoende blijk gegeven van reflectie over (de totstandkoming van) zijn rapportage en de gevolgen daarvan voor klager. Dat maakt dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een waarschuwing zoals door de psychiater is verzocht.
CTG Den Haag, 13 april 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:77
Gegronde klacht tegen een verpleegkundige, die onrechtmatig – zonder behandelrelatie met patiënten - meerdere keren en gedurende een langere periode patiëntendossiers heeft ingezien. Verpleegkundige erkent onbevoegde inzage.
Het Tuchtcollege stelt voorop dat alleen betrokken zorgverleners, zonder toestemming van de patiënt, inzage in het dossier mogen hebben, hetgeen volgt uit artikel 7:457 van de WGBO (artikel 457 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek). Daarin staat dat inzage in beginsel plaatsvindt met toestemming van de patiënt en voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van de patiënt niet wordt geschaad. Inzage in een medisch dossier zonder toestemming van de patiënt is toegestaan voor zover uitvoering van de behandelingsovereenkomst dit vereist en moet achterwege blijven als de hulpverlener daarmee niet de zorg van een goed hulpverlener in acht neemt.
In zowel het privacyreglement van de instelling waar de verpleegkundige werkt als in de toepasselijke CAO behorende bij de arbeidsovereenkomst van klaagster met de verpleegkundige staan vergelijkbare bepalingen. Het onbevoegd inzien van patiëntendossiers is tevens in strijd met interne regels van de instelling, waaronder het instellingsbeleid met betrekking tot Logging en het Infomatiebeveiligingsbeleid.
Vaststaat dat de verpleegkundige patiëntendossiers heeft ingezien zonder dat sprake was van een behandelrelatie met de betreffende patiënten. Het college acht voldoende aannemelijk dat de verpleegkundige van aanzienlijk meer patiënten dan de negen patiënten, ten aanzien van wie de verpleegkundige de onrechtmatige inzage heeft erkend, zonder geldige reden patiëntendossiers heeft ingezien.
Het college acht het inzien van patiëntendossiers zonder behandelrelatie een ernstige schending van de professionele norm die door een verpleegkundige in acht moet worden genomen. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun medische gegevens uitsluitend worden ingezien door zorgverleners die direct bij hun behandeling betrokken zijn. Door zonder behandelrelatie of toestemming dossiers te raadplegen heeft de verpleegkundige dit vertrouwen geschaad. De verpleegkundige was ervan op de hoogte dat het inzien van patiëntendossiers zonder behandelrelatie of toestemming niet is toegestaan.
Het Tuchtcollege neemt tevens in aanmerking dat het aantal onrechtmatige inzagen aanzienlijk is geweest en dat deze hebben plaatsgevonden over een langere periode. Dit wijst niet op incidentele vergissingen maar op herhaald handelen in strijd met de geldende regels. De verpleegkundige heeft erkend dat hij fout heeft gehandeld en heeft verklaard dat hij de dossiers uit nieuwsgierigheid en verveling heeft ingezien en dat hij de verkregen informatie niet met derden heeft gedeeld. Hoewel het college deze erkenning meeweegt, doet dit niet af aan de ernst van de normschending.
Alles afwegende is het Tuchtcollege van oordeel dat de verpleegkundige heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt (artikel 47 lid 1 onder b van de Wet BIG, de zogenaamde tweede tuchtnorm). Het aan de verpleegkundige verweten handelen kan het vertrouwen in de beroepsuitoefening ernstig schaden. Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is en legt de maatregel van bersiping op.
RTG Amsterdam, 14 april 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:80
De voorzitter van het tuchtcollege moet per klacht beoordelen of de klager in zijn klacht kan worden ontvangen. Daarbij is van belang dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. De voorzitter is van oordeel dat de klacht tegen verweerster van onvoldoende gewicht is.
Een klaagschrift moet voldoen aan een aantal krachtens de wet gestelde eisen. Zo moet uit het klaagschrift voldoende duidelijk blijken op welk handelen of nalaten de klacht betrekking heeft en welke zorgverlener(s) daar volgens klager verantwoordelijk voor is/zijn.
Volgens klager stond onjuiste informatie in zijn dossier deze informatie echter onjuist. Het Tuchtcollege oordeelt dat in het geval deze informatie inderdaad niet zou kloppen, is dat niet van dien aard dat dit een tuchtrechtelijk verwijt rechtvaardigt. Niet gesteld of gebleken is dat deze informatie voor de verdere behandeling van klager van belang is geweest. De doelen van het tuchtrecht zijn het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg en de bescherming van de patiënt tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen van zorgverleners. Het tuchtrecht is niet bedoeld om mogelijke onjuistheden in een medisch dossier van een dermate licht gewicht aan de orde te stellen. De klacht is kennelijk van onvoldoende gewicht en wordt ongegrond verklaard.
RTG Amsterdam, 14 april 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:93
Relevante gezondheidsrechtelijke ontwikkelingen op gebied van wet- en regelgeving en rechtspraak. Dit overzicht is opgesteld door de gezondheidsjuristen van de KNMG.
Het is mogelijk dat uitspraken opgenomen in het onderdeel rechtspraak nog niet onherroepelijk zijn en dat hier nog hoger beroep tegen in wordt gesteld.