Het slachtoffer in deze zaak belde wegens paniekklachten naar de huisartsenpost waar verdachte (huisarts) op dat moment nachtdienst had. De huisarts en het slachtoffer hebben rond half 6 ’s ochtends kort telefonisch contact gehad, waarbij de huisarts het slachtoffer aanraadde zich met haar klachten tot haar eigen huisarts te wenden. Nadat zijn nachtdienst om 08:00 uur was afgelopen, heeft de huisarts het slachtoffer meermaals met zijn privételefoon gebeld. De laatste keer heeft zij opgenomen. De huisarts heeft zich daarbij niet met zijn werkelijke naam voorgesteld, maar met een naam die hij had verzonnen. Na een kort telefonisch contact, is de huisarts bij het slachtoffer langsgegaan in haar woning. Daar heeft uiteindelijk seksueel contact plaatsgevonden. De huisarts zegt dat dit seksuele contact met wederzijds goedvinden en op verzoek van het slachtoffer heeft plaatsgevonden. Volgens het slachtoffer was er van instemming met de seksuele handelingen geen sprake. Zij verklaart bovendien dat de huisarts haar kort na binnenkomst een drankje heeft gegeven waardoor zij versuft raakte. Volgens de officier van justitie kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de huisarts het slachtoffer met opzet heeft verkracht. De Rechtbank Midden-Nederland acht wettig en overtuigend bewezen dat de huisarts zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting.
Ook stelt de rechtbank vast dat hij dit strafbare feit heeft begaan als huisarts jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot hem had gewend. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van de huisarts dat het seksueel contact plaatsvond buiten een professionele hulpverleningsrelatie tussen arts en patiënt, omdat zijn nachtdienst al was afgelopen toen hij aangeefster bezocht en hij zich ook niet als huisarts aan aangeefster heeft voorgesteld. Volgens de rechtbank heeft de huisarts ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij het vertrouwen dat zij in hem stelde in grove mate geschonden. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden is. Daarnaast legt de rechtbank de huisarts een beroepsverbod op voor de duur van 5 jaren en wordt hij veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.000 aan het slachtoffer.
Rechtbank Midden-Nederland 2 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3036.
Gegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klager verwijt de verpleegkundige dat zij als zijn ex-schoonzus en als psychiatrisch verpleegkundige een verklaring over (de psychische gesteldheid van) hem heeft opgesteld. Het college oordeelt dat de verpleegkundige verwijtbaar gehandeld door in haar hoedanigheid van verpleegkundige een verklaring op te stellen zonder ooit een behandelrelatie met klager te hebben gehad en in de wetenschap dat deze verklaring in een gerechtelijke procedure zou worden gebruikt. Bovendien is de inhoud van haar verklaring niet objectief en is deze niet uitsluitend op feiten gebaseerd. Berisping opgelegd vanwege ernst verwijt, daarbij weegt mee dat inzicht in onjuistheid handelen onvoldoende is gebleken.
RTG Amsterdam, 2 juni 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:126.
Klacht tegen een fysiotherapeut gegrond. De klacht gaat over seksueel grensoverschrijdend gedrag. De inspectie verwijt de fysiotherapeut dat hij de professionele grenzen heeft overschreden door seksuele handelingen te verrichten bij meerdere (jonge) patiënten gedurende de behandelrelatie. De fysiotherapeut is strafrechtelijk veroordeeld en heeft zich uit het BIG-register laten schrijven. Hij heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de klacht. Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en ontzegt de fysiotherapeut het recht om weer in het BIG-register te worden ingeschreven. Ook wordt de fysiotherapeut met onmiddellijke ingang een algemeen beroepsverbod in de individuele gezondheidszorg opgelegd.
RTG Zwolle 29 mei 2026, ECLI:NL:TGZRZWO:2026:80.
Klacht tegen een fysiotherapeut gegrond. De klacht gaat over seksueel grensoverschrijdend gedrag. De inspectie verwijt de fysiotherapeut dat hij de professionele grenzen heeft overschreden door tweemaal seksueel contact te hebben met een patiënte gedurende de behandelrelatie in 2015. De fysiotherapeut erkent dat en heeft aangegeven niet meer werkzaam te willen zijn in de zorg. Hij heeft zich uit het BIG-register laten schrijven. De fysiotherapeut is gedurende een lange periode niet open en transparant geweest door geen melding te doen van de gebeurtenissen. Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en ontzegt de fysiotherapeut het recht om weer in het BIG-register te worden ingeschreven.
RTG Zwolle 29 mei 2026, ECLI:NL:TGZRZWO:2026:81.
Klacht tegen bedrijfsarts deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk van onvoldoende gewicht. Klager maakt de bedrijfsarts verschillende verwijten over de consulten en het door haar gegeven advies. De klacht is deels kennelijk van onvoldoende gewicht, voor zover de bedrijfsarts in een periodieke evaluatie (die tevens naar de werkgever is gestuurd) heeft omschreven dat klager boos van het consult is vertrokken. Weliswaar is deze omschrijving op zichzelf klachtwaardig te achten, echter de bedrijfsarts heeft zich, direct nadat klager nog diezelfde dag zijn onvrede hierover kenbaar had gemaakt, rekenschap gegeven van deze foutieve vermelding, dit direct adequaat gewijzigd en de aangepaste versie aan zowel klager als de werkgever gestuurd.
RTG Zwolle 27 mei 2026, ECLI:NL:TGZRZWO:2026:74.
Klacht tegen een arts gegrond. In juni 2021 ontving de inspectie een ontslagmelding van de werkgever van de arts. Hij had (wetenschappelijk) onderzoek verricht op een aantal patiënten zonder de hierbij behorende waarborgen in acht te nemen. De inspectie besloot vervolgens een tuchtklacht in te dienen. Het college legt de maatregel van een berisping op en weegt daarbij mee dat de arts op meerdere punten tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en extra zorgvuldigheid had moeten betrachten bij deze kwetsbare groep patiënten.
RTG Zwolle 26 mei 2026, ECLI:NL:TGZRZWO:2026:73.
Klager verwijt de psychiater dat zij verkeerde medicatie heeft voorgeschreven en dat zij geen afbouwschema hanteerde toen zij de medicatie had aangepast. De psychiater heeft zich vergist bij het voorschrijven van het antipsychoticum en dit direct hersteld door alsnog het afgesproken antipsychoticum voor te schrijven. De psychiater toegelicht dat klager in crisis was en moest starten met een antipsychoticum. Welk middel het uiteindelijk zou worden, was minder relevant. Het college acht de vergissing niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Volgens het college heeft de psychiater, toen zij dit opmerkte, adequaat gehandeld. Ook de rest van de klacht wordt ongegrond verklaard.
RTG Amsterdam 26 mei 2025, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:119.
De ex-partner van klaagster is enige tijd in behandeling geweest bij een arts in opleiding tot specialist (aios) psychiatrie en verweerder - een psychiater - als zijn supervisor. Tijdens deze opname heeft de aios – die toen net drie maanden als aios aan het werk was – een melding gedaan bij Veilig Thuis omdat er zorgen waren over de dynamiek tussen klaagster en haar ex-partner en de gevolgen daarvan voor het opvoedklimaat voor hun minderjarige kinderen. Klaagster verwijt de psychiater onder meer dat deze melding onzorgvuldig en onjuist is geweest. Het college verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond. Volgens het college voldoet de melding niet aan de eisen van zorgvuldigheid zoals bedoeld in de KNMG-meldcode kindermishandeling. De psychiater had zich, als supervisor, ervan moeten vergewissen dat de melding aan de eisen van zorgvuldigheid beantwoordde voordat deze aan Veilig Thuis werd gestuurd. Het college verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en legt de psychiater een waarschuwing op. Zie ook: A2025/9033 (zaak tegen aios).
RTG Amsterdam 26 mei 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:120.
De ex-partner van klaagster is enige tijd in behandeling geweest bij een arts in opleiding tot specialist (aios / verweerder) psychiatrie en een psychiater, zijn supervisor. Tijdens deze opname heeft de aios – die toen net drie maanden als aios aan het werk was – een melding gedaan bij Veilig Thuis omdat er zorgen waren over de dynamiek tussen klaagster en haar ex-partner en de gevolgen daarvan voor het opvoedklimaat voor hun minderjarige kinderen. Klaagster verwijt de aios onder meer dat deze melding onzorgvuldig en onjuist is geweest. Het college verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond. Volgens het college voldoet de melding niet aan de eisen van zorgvuldigheid zoals bedoeld in de KNMG-meldcode kindermishandeling. De aios had de melding bovendien aan zijn supervisor moeten voorleggen, voordat hij deze aan Veilig Thuis stuurde. Van een arts die een melding doet bij Veilig Thuis mag verlangd worden dat deze een grote mate van zorgvuldigheid betracht. Het college houdt er rekening mee dat de aios nog maar kort in opleiding was en legt een waarschuwing op. Zie ook: A2025/9031 (zaak tegen supervisor van aios).
RTG Amsterdam 26 mei 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:121.
Klager had op 19 juni 2023 telefonisch contact met de huisarts vanwege pijnklachten rond zijn linkerschouder. De huisarts ging uit van een slijmbeursontsteking. Enkele weken later bleek dat klager een ontsteking aan zijn hartklep had. Klager verwijt de huisarts, samengevat, dat zij hem op 19 juni 2023 geen fysiek consult heeft aangeboden en onvoldoende naar hem heeft geluisterd. Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle oordeelde – kort gezegd – dat de huisarts de klachten en de hulpvraag van klager tijdens het telefonisch consult van 19 juni 2023 niet goed heeft uitgevraagd en zich toen onvoldoende bewust is geweest van de beperkingen van een telefonisch consult. Het RTG heeft de klacht grotendeels gegrond verklaard en de huisarts de maatregel van waarschuwing opgelegd. Tegen deze beslissing is de huisarts in beroep gegaan. Het Centraal Tuchtcollege komt tot een ander oordeel dan het RTG. Volgens het CTG kan niet worden vastgesteld dat de huisarts onvoldoende informatie heeft ingewonnen en daardoor geen adequate beoordeling heeft kunnen maken. Evenmin is gebleken dat de huisarts geen tijd had voor een fysiek consult, zoals klager heeft gesteld. Gelet tot slot op dat wat klager de huisarts volgens het medisch dossier tijdens het telefonisch consult over zijn klachten heeft verteld, kon de huisarts naar het oordeel van het CTG in redelijkheid uitgaan van een bursitis subacromialis. De door haar voorgestelde behandeling was voorts passend bij deze diagnose. Het CTG verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) alsnog ongegrond. De aan de huisarts opgelegde waarschuwing komt daarmee te vervallen.
CTG 26 mei 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:107.
Relevante gezondheidsrechtelijke ontwikkelingen op gebied van wet- en regelgeving en rechtspraak. Dit overzicht is opgesteld door de gezondheidsjuristen van de KNMG.
Het is mogelijk dat uitspraken opgenomen in het onderdeel rechtspraak nog niet onherroepelijk zijn en dat hier nog hoger beroep tegen in wordt gesteld.