Klager is de partner van de zus van de aangeklaagde psychiater en stelt dat deze misbruik heeft gemaakt van zijn BIG-registratie als psychiater en het handelen van de psychiater een ernstige schending is van de professionele integriteit en de kernwaarden van het artsenberoep. Het gaat in deze zaak om een schriftelijke getuigenverklaring van de psychiater die door hem zijn ingebracht in een civiele procedure over de nalatenschap van de ouders van de zus en de psychiater. Nu er geen behandelrelatie was of is tussen de psychiater en zijn zus of met zijn ouders, kan deze klacht niet onder de eerste tuchtnorm worden getoetst, maar alleen onder de tweede tuchtnorm. De tweede tuchtnorm van artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG betreft gedragingen die niet onder de eerste tuchtnorm vallen maar in strijd zijn met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Voor het handelen in strijd met de tweede tuchtnorm is verder vereist dat dit voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Voldoende weerslag betekent volgens vaste rechtspraak dat er sprake is van (i) zeer ernstig verwijtbaar handelen in flagrante strijd met de algemene zorgplicht, (ii) handelen dat de waarden van het beroep in de kern raakt en (iii) handelen dat het vertrouwen in het handelen van een arts wezenlijk aantast. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat handelen dat plaatsvindt in de privésfeer en niet in de hoedanigheid van BIG-geregistreerd beroepsbeoefenaar in zeer uitzonderlijke gevallen onder de tweede tuchtnorm kunnen worden getoetst. Alleen in de situaties “dat een BIG-geregistreerde in de privésfeer zich schuldig maakt aan misdragingen van dien aard en ernst dat hij een gevaar voor patiënten vormt of het vertrouwen in de beroepsbeoefening ernstig schaadt. Hier moet gedacht worden aan levens-, gewelds-, en zedendelicten, zoals seksueel misbruik of ernstige mishandeling.” Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het handelen van de psychiater niet als zodanig kan worden aangemerkt en oordeelt net als het RTG dat de klacht ongegrond is.
CTG Den Haag, 30 juni 2025, nr. C2025/2693, ECLI_NL_TGZCTG_2025_112.
Klager, patiënt bij de aangeklaagde huisarts, dient een tuchtklacht tegen deze in omdat zijn verzoek om (gedeelten) van het medisch dossier te vernietigen door de huisarts wordt geweigerd. Bij de beoordeling van deze klacht acht het Centraal Tuchtcollege (CTG) de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’ van belang. In deze richtlijn is een van de weigeringsgronden voor het vernietigen van het dossier: “Een ander dan de patiënt heeft een aanmerkelijk belang bij het bewaren van de gegevens.”
Ook een arts kan een aanmerkelijk belang hebben bij het bewaren van bepaalde gegevens. Dit is bijvoorbeeld het geval als een patiënt een juridische procedure tegen de arts is gestart. In dat geval heeft de arts er belang bij dat de gegevens bewaard blijven, zodat hij ze voor zijn verdediging kan gebruiken. Echter, het enkele feit dat een patiënt mogelijk een klacht zal indienen, is onvoldoende grond om een vernietigingsverzoek af te wijzen. In dit geval had klager zich echter al tot de klachtenfunctionaris van de Stichting Klachten & Geschillen Eerstelijnszorg (SKGE) gewend, en tot de tuchtklachtfunctionaris voor ondersteuning bij het indienen van een klacht bij het RTG. Dat klager een klacht zou indienen, was daarmee niet langer slechts een mogelijkheid, maar zeer aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het CTG mocht de huisarts daarom op dat moment met een beroep op de betreffende weigeringsgrond het verzoek van klager weigeren en oordeelt dat de klacht ongegrond is.
Een andere klacht tegen de huisarts is dat klager na elk consult thuis in het patiëntenportaal inlogde en daar minder informatie las dan wat tijdens het consult was besproken. Zo miste klager bepaalde onderzoeksuitslagen en beschrijvingen van zijn klachten. In het medisch dossier dat klager later ontving stond die informatie wel, aldus klager. Het CTG overweegt dat een digitaal patiëntenportaal zoals door veel huisartsenpraktijken wordt gebruikt, beperktere informatie aan de patiënt laat zien dan wat in het medisch dossier staat genoteerd. In het portaal wordt namelijk niet het gehele medisch dossier getoond, maar alleen de belangrijkste delen van het medisch dossier zoals de medicatie, de zogeheten actieve episodes en notities van de huisarts. Dit is een gangbare werkwijze binnen de huisartsenzorg in Nederland. Het is begrijpelijk dat hierover misverstanden kunnen ontstaan tussen zorgverleners en patiënten, maar dit betekent niet dat de huisarts een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Ook deze klacht is ongegrond.
CTG Den Haag, 30 juni 2025, C2025/2781, ECLI_TGZCTG_2025_109.
De aangeklaagde psychiater heeft in het kader van een langlopende letselschade procedure na een ongeval een (derde) deskundigenrapport opgesteld. De conclusie in dat rapport is dat er bij klager sprake is van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis die niet het gevolg is van het ongeval. Klager is het niet eens met de wijze waarop de psychiater tot haar conclusies is gekomen. Het Centraal Tuchtcollege (CTG) is het eens met het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege (RTG) dat het rapport op drie punten niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Bij de beoordeling van de vraag of een rapport van een arts aan de daaraan te stellen eisen voldoet, dienen volgens vaste tuchtrechtspraak de volgende criteria in acht te worden genomen:
Het CTG oordeelt dat het rapport van de psychiater op drie punten niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dit betreft de manier waarop de psychiater de door haar verkregen informatie heeft samengevat, de wijze van formuleren waardoor de schijn van vooringenomenheid is ontstaan en de onderbouwing van de diagnose (vermoedelijke) persoonlijkheidsstoornis. Wat betreft het punt van de verkregen informatie: in het rapport heeft de psychiater een opsomming gegeven van de door haar in het kader van het onderzoek bestudeerde stukken. De psychiater heeft daarbij relevante onderdelen van de informatie samengevat. Door de wijze waarop de psychiater dit heeft gedaan is onvoldoende duidelijk welke informatie rechtstreeks uit de ontvangen stukken afkomstig is en wat de eigen interpretatie van de psychiater van die informatie betreft. Wat betreft de wijze van formuleren oordeelt het CTG dat de psychiater haar bevindingen onvoldoende neutraal heeft geformuleerd waardoor er schijn van vooringenomenheid met betrekking tot de conclusies en diagnostiek ontstaat. En als laatste de onderbouwing van de diagnose door de psychiater. Het CTG stelt dat de psychiater de diagnose paranoïde persoonlijkheidsstoornis pas had mogen stellen na een meer gedegen klinisch diagnostisch onderzoek (waaronder afname van een semigestructureerd interview). De psychiater had de diagnose vervolgens deugdelijk in haar rapport moeten onderbouwen met onder andere de classificerende criteria volgens de DSM-5 conform de Zorgstandaard Persoonlijkheidsstoornissen vastgesteld in 2017. De psychiater heeft dit ten onrechte nagelaten. Dat het hier een nevendiagnose zou betreffen, zoals door de psychiater is gesteld, maakt dit niet anders.
Concluderend: het CTG is van mening dat het deskundigenrapport van de psychiater niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, verwerpt het beroep van de psychiater tegen de beslissing van het RTG en handhaaft de maatregel van berisping.
CTG Den Haag, 30 juni 2025, C2024/2522, ECLI_TGZCTG_2025_110.
Klager heeft al vier keer eerder geklaagd over het handelen van beklaagde, huisarts. Een deel van deze klachten werd kennelijk ongegrond verklaard. In het overige deel werd geoordeeld dat klager kennelijk niet-ontvankelijk was omdat een beroepsbeoefenaar niet vaker dan één keer op hetzelfde handelen (tuchtrechtelijk) kan worden aangesproken (ne bis in idem). Het Centraal Tuchtcollege bevestigde de uitspraken van de Regionale Tuchtcolleges. Klager dient nu voor de vijfde keer een klacht in. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle oordeelt dat het belang van klager inmiddels niet meer opweegt tegen het belang van de huisarts om te worden beschermd tegen het steeds weer opnieuw indienen van klachten tegen haar, over in de kern hetzelfde feitencomplex. Het tuchtrecht is er niet om onbeperkt ruimte te geven aan klagers om hun onvrede over een specifieke zorgverlener telkens opnieuw, zij het in iets andere vorm, aan de orde te stellen, aldus de voorzitter. Klager wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.
RTG Zwolle 23 juni 2025, nr. Z2025/8389, ECLI:NL:TGZRZWO:2025:70.
De echtgenote van klager werd in het ziekenhuis behandeld voor een longontsteking als gevolg van aspiratie en ondervoeding. In het ziekenhuis kreeg zij een neusmaagsonde. Na een aantal dagen werd klagers echtgenote ontslagen. Er werd onder andere afgesproken om de sondevoeding thuis voort te zetten. Klager heeft tegen meerdere bij de behandeling betrokken artsen een klacht ingediend. Klager verwijt beklaagde, supervisor van de ANIOS die het ontslaggesprek heeft gevoerd, onder andere dat klager en zijn echtgenote onvoldoende zijn geïnformeerd over het gebruik van de sonde en de voorgeschreven medicatie. Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam (RTG) oordeelt dat de ANIOS die het ontslaggesprek heeft gevoerd, zich er niet van heeft vergewist dat de patiënte voldoende was geïnformeerd over het gebruik van de sonde. Omdat beklaagde ten tijde van het verweten handelen van de ANIOS fungeerde als diens supervisor en de ANIOS zijn handelen met haar heeft afgestemd, wordt de tekortkoming de internist tuchtrechtelijk aangerekend. Het college legt een waarschuwing op. Hierbij weegt het RTG ook mee dat beklaagde weinig blijk geeft van inzicht in de tekortkomingen in de informatieverstrekking aan de patiënte.
RTG Amsterdam 24 juni 2025, nr. A2024/7660, ECLI:NL:TGZRAMS:2025:154.
Klaagster, de IGJ, verwijt beklaagde, voormalig huisarts, dat zij in de periode tussen 16 juli 2021 en 7 december 2021 ongeoorloofd off-label ivermectine heeft voorgeschreven ter preventie en/of behandeling van COVID-19. Ook verwijt zij beklaagde dat zij zich bij haar uitlatingen in diverse (sociale) media niet heeft gehouden aan de voor haar als huisarts geldende professionele beroepsnormen. Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle oordeelt de klacht gegrond. Volgens het RTG was het off-label voorschrijven van ivermectine bij een (vermoeden van een) COVID-19-infectie in strijd met de (a-grond) van art. 68 van de Geneesmiddelenwet. Daarnaast meent het RTG dat beklaagde met een aantal van haar openbare uitlatingen de grens van het betamelijke heeft overschreden, onder andere met de uiting dat “heel de genderdiscussie voortkomt uit het promoten van de pedofielenagenda”. Het RTG oordeelt dat beklaagde haar vrijheid van meningsuiting op zodanige wijze heeft aangewend dat sprake is van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid, namelijk een overschrijding van de tweede tuchtnorm. Het RTG legt beklaagde de maatregel van berisping op en besluit tot openbaarmaking van die maatregel in het BIG-register.
RTG Zwolle 24 juni 2025, nr. Z2024/7733, ECLI:NL:TGZRZWO:2025:69.
De zoon van klaagster en de zwager van klager is in 2020 overleden aan de gevolgen van een ernstige complicatie (darmperforatie), die is opgetreden na een scoliosecorrectie. Beklaagde was destijds als zaalarts betrokken bij de zorg die na de operatie aan de zoon is verleend. Klagers verwijten hem onvoldoende aandacht te hebben gehad voor de toestand van hun zoon/zwager en voor de zorgen die klaagster uitte. Zo vond klaagster onder andere dat haar zoon heel erg duf en slecht aanspreekbaar was, hield hij geen voeding binnen en had hij weinig tot geen urineproductie.De arts betreurt ten zeerste wat er is gebeurd. Hij stelt echter dat hij zorgvuldig en naar zijn beste kunnen voor de patiënt heeft gezorgd. Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam (RTG) komt tot het oordeel dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Volgens het RTG heeft de arts geen alarmsignalen gemist; de kinderarts die beklaagde in consult had gevraagd, beoordeelde de situatie als niet acuut en op een röntgenfoto die op dezelfde dag was gemaakt bleek niet dat sprake was van een darmperforatie. Het verloop daarna en de uitkomst is tragisch, maar dit valt beklaagde niet aan te rekenen, aldus het RTG. Daarbij merkt het RTG ook op dat naar aanleiding van dit incident het ziekenhuis een aantal wijzigingen heeft doorgevoerd. Zo wordt bij dergelijke complexe patiënten nu standaard de afdeling kindergeneeskunde in medebehandeling gevraagd.
RTG Amsterdam 27 juni 2025, nr. A2024/8034, ECLI:NL:TGZRAMS:2025:163.
Beklaagde is op 30 april 2022 op consult gevraagd voor een arrestant op een politiebureau. De arrestant (hierna: patiënt) klaagde over hevige pijn in zijn bovenbeen die was ontstaan bij zijn arrestatie. De arts heeft hem pijnstilling in de vorm van methadon verstrekt. Klaagster, de IGJ, verwijt beklaagde dat hij op onzorgvuldige wijze off-label methadon aan de patiënt heeft verstrekt en dat hij niet aan zijn dossierplicht heeft voldaan. Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam (RTG) stelt vast dat het aannemelijk is geworden dat de arts op 30 april 2022 aan de patiënt, naast paracetamols, als pijnstilling 1x 5 mg methadon en 1x 20 mg methadon heeft voorgeschreven. Volgens het RTG heeft beklaagde geen medisch-inhoudelijke onderbouwing gegeven voor dit off-label gebruik van methadon. De omstandigheid dat hij geen andere pijnstilling in zijn spoedkoffer aanwezig had dan paracetamol en methadon geldt niet als zodanig. Bovendien had de arts de mogelijkheid om spoedmedicatie aan te vragen bij de apotheek. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond, aldus het RTG. Ook het klachtonderdeel over de dossiervoering verklaart het RTG gegrond: beklaagde heeft hieraan niet voldaan. Het RTG acht een zware maatregel, namelijk die van een voorwaardelijke schorsing gedurende zes maanden met een proeftijd van twee jaren, proportioneel en passend. Daarbij weegt het RTG onder andere mee dat niet is gebleken dat sprake was van informed consent voor het off-label gebruik, dat het ging om patiënt in een kwetsbare positie, dat beklaagde eerder een tuchtrechtelijke maatregel heeft gekregen voor het niet voldoen aan de dossierplicht en dat hij zich geenszins toetsbaar heeft opgesteld.
RTG Amsterdam 27 juni 2025, nr. A2024/7671, ECLI:NL:TGZRAMS:2025:160.
In deze kortgedingprocedure ligt de vraag voor of het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM) de medische behandeling, c.q. de kunstmatige beademing, van de driejarige dochter van eisers mag staken. De dochter van eisers leidt aan een zeer zeldzame en ernstige ziekte, waardoor zij niet meer in staat is zelfstandig te ademen en via de kunstmatige beademing in leven wordt gehouden. Het AZM wil deze behandeling staken omdat de situatie zo ernstig is dat het meisje uitzichtloos lijdt en dat verder behandelen medisch gezien geen zin meer heeft. Eisers kunnen zich niet in deze beslissing vinden en vragen de voorzieningenrechter (de rechter in kortgedingprocedures) primair het ziekenhuis te verbieden de behandeling te stoppen. Als dat niet gebeurt, willen ze dat de voorzieningenrechter het ziekenhuis verplicht hun dochter over te plaatsen naar een verpleegkliniek, of dat het ziekenhuis wordt verplicht ten minste zes maanden te wachten met het stoppen van de behandeling. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat hij de beslissing van het AZM ‘marginaal’ zal toetsen. Dat betekent dat hij alleen toetst of het AZM de beslissing op zorgvuldige wijze heeft genomen en of zij daarbij alle in aanmerking komende belangen in redelijkheid heeft afgewogen. Alleen als dat evident niet het geval is, kan volgens de voorzieningenrechter worden ingegrepen. Vervolgens oordeelt de voorzieningenrechter dat het in hoge mate aannemelijk is dat er geen verbetering van de gezondheidstoestand van eisers’ dochter is te verwachten. De voorzieningenrechter baseert zich hierbij onder meer op de verklaringen van de behandelendartsen, de inhoud van desecond opinions en de inhoud van een wetenschappelijk artikel. Ook oordeelt de voorzieningenrechter dat het aannemelijk is dat eisers’ dochter lijden uitzichtloos is. Dit leidt de voorzieningenrechter af uit de combinatie van de objectieve meetgegevens en de op ervaring en expertise gebaseerde waarnemingen van de behandelend artsen en verpleegkundigen. Volgens de voorzieningenrechter is het AZM al met al op zorgvuldige wijze tot de conclusie gekomen dat het voortzetten van de beademing medisch zinloos handelen betreft en dat doorbehandeling het lijden van eisers’ dochter slechts verlengt. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de ouders, hoe invoelbaar deze ook zijn, daarom af.
Rb Limburg 25 juni 2025, nr. C/03/342246 / KG ZA 25-201, ECLI:NL:RBLIM:2025:6034.
Op 26 juni jl. heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) het jaarverslag van 2024 van de Tuchtklachtfunctionaris gepubliceerd. In het verslag staat kort wat de taak van de tuchtklachtfunctionaris is en wordt inzicht gegeven in onder andere het aantal meldingen, de onderwerpen en de afhandeling van de meldingen in 2024. Ook staat in de factsheet over welke beroepsgroepen de meldingen gingen.
26 juni 2025, Jaarverslag Tuchtklachtfunctionaris VWS 2024.
Relevante gezondheidsrechtelijke ontwikkelingen op gebied van wet- en regelgeving en rechtspraak. Dit overzicht is opgesteld door de gezondheidsjuristen van de KNMG.
Het is mogelijk dat uitspraken opgenomen in het onderdeel rechtspraak nog niet onherroepelijk zijn en dat hier nog hoger beroep tegen in wordt gesteld.