Klacht tegen cosmetisch arts. Klaagster verwijt de arts a) schending van het informed consent, b) niet tijdig reageren op hulpverzoeken, c) onzorgvuldige uitvoering van de behandeling en d) vermelden van onjuiste informatie op de website van zijn huidige kliniek. Het RTG Zwolle heeft de klachtonderdelen a) en b) gegrond verklaard en vervolgens een waarschuwing opgelegd. De klachtonderdelen c) en d) zijn in eerste aanleg ongegrond verklaard. Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en wil een zwaardere maatregel: berisping. Het beroep van klaagster heeft tot doel dat klachtonderdeel d) alsnog gegrond wordt verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk, omdat de Wet BIG het niet toelaat om als klager in beroep te komen als de klacht bij het RTG (gedeeltelijk) gegrond is verklaard.
CTG, 24 juni 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:132
Klacht tegen een fysiotherapeut. Klager zat geïsoleerd thuis vanwege onverklaarbare lichamelijke klachten. De fysiotherapeut stelde de diagnose Hoog Cervicale Functie Stoornis en heeft klager meerdere jaren behandeld, vooral door behandelingen aan de nek. Klager verwijt de fysiotherapeut in de kern dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld en daarmee bij klager een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd. Verder zou het dossier ook onjuistheden bevatten. Het RTG Amsterdam heeft de klacht deels gegrond verklaard en de fysiotherapeut de maatregel van berisping opgelegd. Ook het CTG verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond, zij het in mindere mate dan het Regionaal Tuchtcollege.
Het CTG verwijt de fysiotherapeut dat hij de evaluatiemomenten en de daaraan verbonden conclusies gedurende een lange behandelperiode in de complexe situatie niet of onvoldoende heeft vastgelegd in het uitgebreide patiëntendossier. Hierdoor is het handelen van de fysiotherapeut achteraf onvoldoende toetsbaar. Daarom is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat een zakelijke terechtwijzing op zijn plaats is en legt een waarschuwing op.
CTG, 24 juni 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:131
Klacht tegen een sportarts gegrond. Een berisping met openbaarmaking in BIG-register opgelegd. Klager is gedurende een periode van twee jaar behandeld door de sportarts totdat de behandelingsovereenkomst door de sportarts werd opgezegd. Klager maakt de sportarts verschillende verwijten. Zo vindt hij dat de behandelrelatie ten onrechte is beëindigd, hij onvoldoende is geïnformeerd over de kosten van de behandeling, er sprake is van onjuiste declaraties, en de sportarts buitensporige giften waaronder €100.000,- contant heeft aangenomen. Het college oordeelt dat de klachtonderdelen betreffende niet-transparante behandelkosten en ontijdige/onjuiste declaraties gegrond zijn. Ook heeft de sportarts bij de beëindiging van de behandelingsovereenkomst de sportarts niet voldaan aan de door hem in acht te nemen zorgvuldigheidsregels. Daarnaast oordeelt het college dat het aannemen van de tas met contant geld, drie betalingen via PayPal en Formule 1 tickets in strijd is met de voor de sportarts geldende beroepsnormen.
RTG Zwolle, 23 juni 2026, ECLI:NL:TGZRZWO:2026:93
1. Gegronde klacht van de IGJ tegen een huisarts. De huisarts heeft euthanasie uitgevoerd bij een patiënte vanwege psychisch lijden. Deze euthanasie is door de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie als onzorgvuldig beoordeeld. Het college komt tot het oordeel dat de huisarts onzorgvuldig heeft gehandeld door niet zorg te dragen voor het raadplegen van voldoende psychiatrische expertise en genoegen heeft genomen met een ondermaats SCEN-verslag, waardoor zij niet de grote behoedzaamheid heeft betracht die bij het verlenen van euthanasie bij een patiënt op grond van louter psychisch lijden aangewezen was. Het college weegt in het bepalen van de maatregel mee dat de huisarts op eigen initiatief nascholing en een intensief supervisietraject heeft gevolgd. De klacht wordt gegrond verklaard en er volgt een waarschuwing.
RTG Amsterdam, 23 juni 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:143
2. Gegronde klacht van de IGJ tegen een SCEN-arts. De arts is als SCEN-arts betrokken geweest bij een door een huisarts (casus hierboven) uitgevoerde euthanasie bij een patiënte vanwege psychisch lijden. Deze euthanasie is door de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie als onzorgvuldig beoordeeld. Het college oordeelt dat de arts bij het verlenen van de SCEN-consultatie bij een euthanasie bij een patiënt op grond van louter psychisch lijden, niet de grote behoedzaamheid in acht heeft genomen die op grond van de wet en de beroepsnormen aangewezen was. Het verslag van de arts is onvoldoende onderbouwd. Ook heeft hij de huisarts er niet op terecht gewezen dat de verstrekte informatie onvoldoende was om een inhoudelijk oordeel te kunnen geven. Het was naar het oordeel van het college ook aangewezen om in ieder geval overleg te hebben met een SCEN-arts die tevens psychiater is. Het college weegt in het bepalen van de maatregel mee dat de arts zich heeft laten bijscholen en dat hij inmiddels met pensioen is. De klacht is gegrond verklaard en er volgt een waarschuwing.
RTG Amsterdam. 23 juni 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:142
Relevante gezondheidsrechtelijke ontwikkelingen op gebied van wet- en regelgeving en rechtspraak. Dit overzicht is opgesteld door de gezondheidsjuristen van de KNMG.
Het is mogelijk dat uitspraken opgenomen in het onderdeel rechtspraak nog niet onherroepelijk zijn en dat hier nog hoger beroep tegen in wordt gesteld.