Deels gegronde klacht tegen een huisarts. Het college concludeert dat de huisarts te lang is blijven uitgaan van de aanvankelijke werkdiagnose aspecifieke mictieklachten, daar waar er meerdere signalen waren die tot een heroverweging daarvan hadden moeten leiden. In ieder geval had het gegeven dat patiënt zich bij het eerste consult meldde met mictieklachten (waaronder pijn) in combinatie met het aantreffen van erytrocyten in de urine ertoe moeten leiden dat na enkele weken het urine onderzoek was herhaald en dat een urinesedimentbepaling was verricht. En in die zin was de eerste werkdiagnose ook onvolledig althans gebaseerd op onvolledig onderzoek. Klachtonderdeel a en c slagen, met uitzondering van het onvoldoende serieus nemen van de pijnklachten. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond. Volgt een waarschuwing.
Deze klacht hangt samen met de zaak hieronder.
RTG Amsterdam 28 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:206
Deels gegronde klacht tegen een huisarts. Het college concludeert dat de huisarts te lang is blijven uitgaan van de aanvankelijke werkdiagnose aspecifieke mictieklachten, daar waar er meerdere signalen waren die tot een heroverweging daarvan hadden moeten leiden. In ieder geval had het gegeven dat patiënt zich bij het eerste consult meldde met mictieklachten (waaronder pijn) in combinatie met het aantreffen van erytrocyten in de urine ertoe moeten leiden dat na enkele weken het urine onderzoek was herhaald en dat een urinesedimentbepaling was verricht. En in die zin was de eerste werkdiagnose ook onvolledig althans gebaseerd op onvolledig onderzoek. Klachtonderdeel a en c slagen, met uitzondering van het onvoldoende serieus nemen van de pijnklachten. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond. Volgt een waarschuwing.
Deze klacht hangt samen met de zaak hierboven.
RTG Amsterdam 28 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:207
Grotendeels gegronde klacht tegen een dermatoloog. De dermatoloog heeft klaagster behandeld met botulinetoxine injecties in de oksels in verband met overmatig transpireren. De dermatoloog heeft klaagster voorafgaand aan de behandeling onvoldoende geïnformeerd, de behandelrelatie zonder gewichtige reden en zonder inachtneming van de daarvoor geldende zorgvuldigheidseisen beëindigd, onzorgvuldig gehandeld bij de verslaglegging en is tekortgeschoten in de communicatie over de klachtenafhandeling en het BIG-registratienummer. Gelet op de ernst en de samenhang van de gegrond bevonden klachtonderdelen, het ontbreken van inzicht in het eigen handelen en een opgelegde berisping in een eerdere tuchtzaak, legt het college een voorwaardelijke schorsing van zes maanden op.
RTG Amsterdam 26 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:204
Klaagster klaagt erover dat een arts onder supervisie van een bedrijfsarts haar onder meer niet heeft geïnformeerd over zijn hoedanigheid en dat hij een toezegging dat zij eerst inzage in haar FML zou krijgen, voordat deze naar haar werkgever zou worden gestuurd, niet is nagekomen. Het tuchtcollege verklaart de klacht op deze punten gegrond. Maatregel: berisping omdat verweerder heel basale essentiële zaken niet goed heeft uitgevoerd, hij een belangrijke toezegging betreffende de FML niet is nagekomen, hij onvoldoende reflectie toont op zijn handelwijze en zich niet toetsbaar heeft opgesteld.
RTG ‘s Hertogenbosch 26 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:152
Gegronde klacht tegen bedrijfsarts. Klager verwijt verweerder dat hij, na zijn betrokkenheid bij klager als bedrijfsarts, zich negatief heeft uitgelaten over klager. Ook heeft verweerder onjuistheden is in zijn verklaring over klager opgenomen. Verweerder heeft erkend dat hij zich negatief heeft uitgelaten over klager en dat deze verklaringen onjuistheden bevatten. Verweerder ziet nu in dat hij als bedrijfsarts geen verklaring kan geven op verzoek van een werkgever of een werknemer indien die zelf betrokken is geweest bij de casus. Het college heeft voorwaardelijke schorsing overwogen en legt verweerder, gezien de omstandigheden, de maatregel berisping op.
RTG ’s Hertogenbosch 26 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:153
Gegronde klacht van de IGJ tegen een huisarts. Het college overweegt onder andere dat uit de vermelde feiten blijkt dat de huisarts zijn patiënten er actief van heeft proberen te weerhouden zich (ook door een andere zorgverlener) te laten vaccineren, door zich jegens hen op diverse wijzen en ongevraagd zeer kritisch en negatief uit te laten over de COVID-19-vaccinaties. Met de telefonische benadering van driehonderd patiënten, het informed consent-formulier, de in die gesprekken en dat formulier verstrekte eenzijdige, ongenuanceerde en onjuiste informatie en met het vereiste van ondertekening in het formulier de huisarts ten onrechte een drempel heeft opgeworpen voor de patiënten die wel gevaccineerd wilden worden. Alle klachtonderdelen zijn gegrond. Al met al komt het college, op grond van de ernst van de aan de huisarts verweten gedragingen en de onwrikbaarheid van zijn ideeën, tot de maatregel van onvoorwaardelijke doorhaling van zijn inschrijving in het BIG-register.
RTG Amsterdam 25 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:205
Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een arbo-arts. Klager is tijdens zijn arbeidsongeschiktheid begeleid door de arbo-arts, die als basisarts onder supervisie van een bedrijfsarts werkzaam was. De klachtonderdelen over beëindiging van de begeleidingsrelatie, informatieverstrekking aan de werkgever, de beoordeling van de belastbaarheid, de omgang met een verzoek om second opinion en werken onder supervisie zijn gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond. Berisping opgelegd.
Deze klacht hangt samen met de zaak hieronder.
RTG Amsterdam 21 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:202
Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klager is in het kader van zijn arbeidsongeschiktheid begeleid door een arbo-arts die onder supervisie van de bedrijfsarts werkte. Klager verwijt de bedrijfsarts dat zij onvoldoende invulling heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid als supervisor. De klachtonderdelen over de beëindiging begeleidingsrelatie, afhandeling van verzoek second opinion, invulling van de supervisie, en de klachtafhandeling zijn gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond. Berisping opgelegd.
Deze klacht hangt samen met de zaak hierboven.
RTG Amsterdam 21 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:203
Voorzittersbeslissing. Misbruik van recht. Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij onbekwaam was om klaagsters verzoek om aanvulling in haar dossier te effectueren, maar dit desondanks wel heeft gedaan. Dit zou volgens klaagster verstrekkende gevolgen hebben gehad voor de medische behandelingen van klaagster binnen en buiten het ziekenhuis. Daarnaast zou het ook invloed hebben op andere procedures die klaagster is gestart om het volgens haar gedane onrecht recht te zetten en de aanvullingen te laten rectificeren zodat de zorgverlening aan haar wel goed en veilig kan zijn. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht wegens misbruik van recht. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is het daarmee eens en wijst het beroep af. Aanvullend op de overwegingen van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege overweegt de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege dat klaagster de klacht met een ander doel dan waarvoor het tuchtrecht is bedoeld heeft ingediend, namelijk als instrument in het inmiddels voortslepende conflict met het ziekenhuis en de orthopedisch chirurg, en daarmee het omzeilen van het contact- en toegangsverbod en het bewerkstelligen van een aanzienlijke schadeloosstelling.
CTG 21 augustus 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:174
Gedeeltelijke gegronde klacht tegen huisarts. Maatregel berisping. De dochter van patiënte verwijt verweerder dat hij geen gesprek heeft gevoerd met patiënte en klaagster over het proces van palliatieve sedatie en de morfinepomp niet tegelijk met de sedatie heeft gestart waardoor patiënte ontwenningsverschijnselen kreeg. Daarnaast heeft verweerder geen overdracht geregeld voor wanneer verweerder niet bereikbaar was. Ook wordt verweerder verweten dat hij zijn app-berichten onprofessioneel heeft afgesloten.
RTG ‘s Hertogenbosch19 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:146
Een kleinzoon van een overleden patiënt klaagt erover dat de cardioloog een medische verklaring over de geestelijke gesteldheid van zijn grootvader heeft afgegeven, welke verklaring door familieleden in een erfrechtprocedure is gebruikt. Het tuchtcollege oordeelt dat de cardioloog, als voormalig behandelend arts, geen geneeskundige verklaring had mogen afgeven, het beroepsgeheim heeft geschonden en buiten zijn deskundigheid is getreden. Als maatregel wordt een voorwaardelijke schorsing van drie maanden met een proeftijd van twee jaar opgelegd met als bijzondere voorwaarde dat de cardioloog een cursus over omgaan met medische gegevens moet volgen.
RTG ’s Hertogenbosch 12 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:143.
Klager is door de arts in opleiding tot neurochirurg (aios) aan zijn rug geopereerd. Na de operatie bleek klager een dwarslaesie te hebben. Klager klaagt erover dat er zonder zijn instemming op de verkeerde positie is geopereerd. Het college oordeelt dat de aios de operatie heeft uitgevoerd volgens het operatieadvies van de behandelend neurochirurg en het multidisciplinair overleg. De aios mocht ervan uitgaan dat sprake was van informed consent en zijn supervisor achtte hem bekwaam om de operatie uit te voeren. Ondanks de zeer ernstige complicatie, is de ingreep uitgevoerd op de voorgeschreven wijze. Klacht ongegrond.
RTG ’s Hertogenbosch 12 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:145.
Verweerder, neurochirurg, was supervisor van een arts in opleiding tot neurochirurg (aios). De aios heeft klager aan zijn rug geopereerd. Na de operatie bleek klager een dwarslaesie te hebben. Klager klaagt erover dat er zonder zijn instemming op de verkeerde positie is geopereerd. Het college oordeelt dat de supervisor geen verwijt treft. De aios heeft de operatie uitgevoerd volgens het operatieadvies van de behandelend neurochirurg en het multidisciplinair overleg. De aios mocht ervan uitgaan dat sprake was van informed consent en de supervisor heeft onderbouwd dat de aios bekwaam was om de operatie uit te voeren. Ondanks de zeer ernstige complicatie, is de ingreep uitgevoerd op de voorgeschreven wijze. Klacht ongegrond.
RTG ’s Hertogenbosch 12 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:144.
Klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster werd in het kader van de verzuimbegeleiding begeleid door de bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij haar niet goed heeft begeleid door onder andere een foutieve inschatting van de klachten en het weigeren van een second-opinion. Het Regionaal Tuchtcollege heeft het klachtonderdeel over het weigeren van een second opinion gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.
CTG 10 augustus 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:166.
Kennelijk ongegronde klacht tegen oogarts. Er was geen sprake van een weigering van zorg door de oogarts, omdat het ziekenhuis klager steeds een afspraak bij een andere oogarts had aangeboden. Ook is het recht op vrije artsenkeuze niet geschonden, omdat dit geen verplichting voor een individuele arts inhoudt om iedere patiënt te behandelen. Voor zover de klacht betrekking heeft op het handelen van het ziekenhuis of de bestuurder, kan de oogarts daarvoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden.
RTG ’s Hertogenbosch 5 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:142.
Gegronde klacht tegen gz-psycholoog. Klager en de gz-psycholoog kennen elkaar in privésetting. Klager is bij de gz-psycholoog in behandeling gekomen. Na vijf maanden heeft de gz-psycholoog de behandelovereenkomst eenzijdig verbroken. Klager vindt dat de gz-psycholoog hem nooit had mogen behandelen. Verder verwijt klager de gz-psycholoog dat zij haar medisch beroepsgeheim heeft geschonden tegenover gezamenlijke vrienden en het medisch dossier veel te laat aan hem heeft verstrekt. Het college acht alle klachtonderdelen gegrond. Voorwaardelijke schorsing van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar.
RTG Amsterdam 4 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:190.
Gegronde klacht van IGJ tegen een (voorheen BIG-geregistreerd) gz-psycholoog. De gz-psycholoog heeft grensoverschrijdend gehandeld door met een cliënte een vriendschappelijke relatie aan te gaan en vervolgens seksueel contact met haar te hebben. Daarnaast is hij tekortgeschoten in de zorgverlening door de cliënte niet in overeenstemming met de professionele standaard en richtlijnen te behandelen, en onvoldoende dossier te voeren. De gz-psycholoog heeft zijn tuchtrechtelijk verwijtbare handelen erkend. Verbod op wederinschrijving. Het college verbiedt de gz-psycholoog om als zorgverlener supervisie-, mentoring- en coachingstrajecten aan andere zorgverleners aan te bieden.
RTG Amsterdam 4 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:197.
Deels gegronde klacht tegen psychotherapeut/ gz-psycholoog, die een schriftelijke verklaring heeft opgesteld waarin zij over haar cliënte schrijft en gebeurtenissen beschrijft waarbij klager betrokken was. Klager verwijt verweerster onder meer dat zij valse kwalificaties en beschrijvingen over hem de verklaring heeft opgenomen. Het college oordeelt dat de psychotherapeut/ gz-psycholoog de verklaring niet had mogen schrijven op de manier waarop zij dit heeft gedaan. Verwijtbaar handelen door op verzoek van cliënte een ongeadresseerde verklaring op te stellen waarin strafrechtelijke gedragingen van klager als feiten zijn opgenomen. Waarschuwing. Inzicht in onjuistheid van handelen en daar adequaat op gereflecteerd.
RTG Amsterdam 4 augustus 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:191.
Klacht tegen een psychiater. Klaagster is tweemaal door de psychiater gezien voor een second opinion in het kader van een euthanasietraject. Klaagster maakt de psychiater verwijten over de inhoud van de verslagen van beide second opinions (a), de verzending van het verslag van de tweede second opinion (b en c) en haar communicatie per e-mail. Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klacht deels gegrond verklaard (onderdeel b en c) en de psychiater de maatregel van waarschuwing opgelegd. Klaagster is in beroep gegaan tegen de beslissing van het RTG om het klachtonderdeel over de communicatie per e-mail (d) ongegrond te verklaren. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel d echter eveneens ongegrond en verwerpt het beroep.
CTG 3 augustus 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:162.
Relevante gezondheidsrechtelijke ontwikkelingen op gebied van wet- en regelgeving en rechtspraak. Dit overzicht is opgesteld door de gezondheidsjuristen van de KNMG.
Het is mogelijk dat uitspraken opgenomen in het onderdeel rechtspraak nog niet onherroepelijk zijn en dat hier nog hoger beroep tegen in wordt gesteld.