Kijk voor meer informatie over de tuchtprocedure ook op www.openovertuchtrecht.nl.
Een zorginstelling uit Veenendaal kan niet aansprakelijk worden gehouden voor de dood van een cliënt. De overleden 40-jarige man woonde zelfstandig, maar onder begeleiding van de zorginstelling, in een huurwoning. Daar werd hij in 2020 dood aangetroffen. De rechtbank oordeelt dat de zorginstelling niet de zorg heeft geboden die het had moeten bieden, maar dat de instelling geen schuld heeft aan het overlijden van de man.
Rb. Midden-Nederland 10 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5961
Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaren met aftrek en tbs met dwangverpleging en maatregel 38z Sr voor moord op verpleegkundig specialist. De rechtbank acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank legt naast een gevangenisstraf van 18 jaren een tbs-maatregel op met dwangverpleging en de maatregel ex artikel 38z Sr. Toewijzingen affectieschade, schokschade, materiële en (vererfde) immateriële schade.
Rb. Limburg 7 november 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:10991
Deels gegronde klacht tegen een bedrijfsarts, berisping. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij onprofessioneel heeft gehandeld in het kader van een preventief consult en vervolgens bij de verzuimbegeleiding. Meer specifiek wordt de bedrijfsarts verweten dat adequate medische opvolging ontbrak, dat sprake is van onzorgvuldige en onvolledige verslaglegging en dat hij het verzoek om een second opinion heeft geweigerd zonder inhoudelijke motivering. De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren. Het college acht het handelen van de bedrijfsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar. Hij heeft de medische beperkingen van klaagster niet, althans onvoldoende, herkend en heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij tot zijn oordeel is gekomen. Daarnaast heeft de bedrijfsarts in strijd gehandeld met belangrijke richtlijnen van de NVAB en heeft hij de aanvraag van een second opinion niet gefaciliteerd waar dat wel geboden was. Met betrekking tot de op te leggen maatregel is het college van oordeel dat de bedrijfsarts tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting geen, althans beperkt, blijk gegeven van reflectie op zijn handelen, met name rondom de second opinion. Dit heeft gevolgen gehad voor (het traject van) klaagster, die uiteindelijk zelf een second opinion heeft moeten regelen.
RTG Amsterdam 7 november 2025, ECLI:NL:TGZRAMS:2025:264
Klacht tegen een arts deels gegrond, maatregel waarschuwing. Klaagster heeft een behandeling met fillers en botox ondergaan bij de kliniek waar verweerder als cosmetisch arts werkzaam was. Klaagster verwijt de arts dat de behandeling die hij heeft uitgevoerd onzorgvuldig was, dat de voorlichting/informed consent en de nazorg onvoldoende waren, en dat er onjuiste informatie op de website van zijn huidige kliniek staat. Het college komt tot het oordeel dat de klacht ontvankelijk is, omdat over het handelen waarover klaagster nu klaagt namelijk nog geen onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing genomen. Daarnaast oordeelt het college dat verweerder tekort is geschoten in zijn zorgverlening door onvoldoende voorlichting te geven over de behandeling en niet tijdig te reageren op de hulpverzoeken na de behandeling. Maatregel van waarschuwing passend en geboden gelet op alle omstandigheden.
RTG Zwolle 6 november 2025, ECLI:NL:TGZRZWO:2025:140
Klacht tegen internist. Klager is de zoon van een patiënt die na een cystectomie in het ziekenhuis is overleden. Volgens klager is het overlijden te wijten aan ontoereikend medisch handelen. De internist was als voorzitter van de calamiteitencommissie belast met het oriënterend onderzoek naar de gang van zaken omtrent en de oorzaak van het overlijden van de patiënt, om te bepalen of het een calamiteit betrof. Klager verwijt de internist dat zij in haar onderzoek op meerdere fronten onzorgvuldig heeft gehandeld. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond voor zover dit onderdeel betrekking heeft op het niet naleven van het Maagretentieprotocol, verklaart de klacht voor het overige ongegrond en bepaalt dat aan de internist geen maatregel wordt opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het handelen van de internist als voorzitter van de calamiteitencommissie niet valt onder de eerste tuchtnorm en ook niet valt onder de tweede tuchtnorm. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager daarom alsnog niet-ontvankelijk in zijn klacht.
CTG 3 november 2025, ECLI:NL:TGZCTG:2025:181
Klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde. Klagers, de tweelingzus en zwager van de overleden patiënte, dienen een klacht in tegen verweerster, de arts die betrokken was bij de zorg van patiënte. Ze beschuldigen haar van het actief beëindigen van het leven van patiënte, het volgen van de wensen van de echtgenoot zonder eigen medische verantwoordelijkheid, en het niet geven informatie. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege verklaart klagers niet ontvankelijk in hun klacht namens de patiënte. De echtgenoot en zoon van patiënte staan niet achter de klacht en de echtgenoot vertegenwoordigt in beginsel de wil van patiënte. De eigen klachten van klagers zijn deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. De voorzitter heeft er begrip voor dat klagers hebben geleden onder het stervensproces van hun (schoon)zus maar de klacht die daarover gaat heeft geen betrekking op een handelen of nalaten tegenover klagers zelf op het gebied van het individuele gezondheidsrecht. Voorts acht de voorzitter het een juiste handelwijze dat verweerster haar informatieverplichtingen jegens de echtgenoot nakwam. Patiënte was niet meer wilsbekwaam en dan dienen op grond van de wet de verplichtingen jegens de echtgenoot te worden nagekomen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun klacht namens patiënte en verklaart de eigen klachten van klagers deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klagers.
CTG 3 november 2025, ECLI:NL:TGZCTG:2025:178
Klacht tegen een radioloog kennelijk ongegrond. Na verwijzing door de neuroloog werden MRI-scans van klaagster haar hersenen gemaakt. Verweerder beoordeelde de scans en maakte daarvan een verslag. Klaagster had bedenkingen ten aanzien van de verslaglegging van de MRI-scan. Zij vermoedde neuroborreliose (ziekte van Lyme). Klaagster verwijt de radioloog dat er niet adequaat is gecommuniceerd met de aanvragend neuroloog, waardoor een onbruikbare uitslag werd afgegeven. Na een gesprek met verweerder, het afdelingshoofd en een collega-neuroradioloog werd het verslag niet herzien. Het college kan niet vaststellen dat verweerder bij die beoordeling en verslaglegging onzorgvuldig en niet als een redelijk bekwaam en redelijk handelend radioloog te werk is gegaan. Het is aan verweerder, als zorgprofessional, om te bepalen wat er in zijn verslag wel of niet opgenomen wordt en of dit moet worden aangepast na herbeoordeling.
RTG Zwolle 31 oktober 2025, ECLI:NL:TGZRZWO:2025:139
Zie vergelijkbaar: RTG Zwolle 31 oktober 2025, ECLI:NL:TGZRZWO:2025:137
en RTG Zwolle 31 oktober 2025, ECLI:NL:TGZRZWO:2025:138
Zedenzaak: Veroordeling internist voor aanranding van drie coassistenten en het maken van seksuele afbeeldingen van hen, alsmede voor het plegen van ontucht met een patiënt. Vrijspraak voor het plegen van ontucht met een andere patiënt. Gebruik van schakelbewijs. Vorderingen benadeelde partijen. Oplegging van een beroepsverbod, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.
Rb. Rotterdam 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12805
De patiënte van de huisarts is overleden aan een massale longbloeding bij een snel groeiende longtumor. De maanden hieraan voorafgaand is zij meermaals in verband met onder andere benauwdheid en hoestklachten gezien door de huisarts. Hij heeft de NHG-richtlijn Acuut Hoesten goed gevolgd, een longfoto gemaakt - waarop niets was te zien - en klaagster doorverwezen naar de longarts. Onheuse bejegening door de huisarts kan niet worden vastgesteld bij verschillende lezing van de feiten. De huisarts heeft terecht - conform de geldende wetgeving - maar een beperkt deel van het dossier aan klager, weduwnaar van de patiënte, ter hand gesteld. Van een meldingsplicht van een calamiteit was geen sprake, omdat geen sprake was van een tekortkoming in de zorg. Klachten ongegrond.
RTG Den Bosch 29 oktober 2025, ECLI:NL:TGZRSHE:2025:118
Voorzittersbeslissing kennelijk ongegrond. Klaagster verwijt de arts dat zij een chip in haar duim heeft geïmplanteerd. De voorzitter acht dit hoogst onwaarschijnlijk en verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
RTG Amsterdam 28 oktober 2025, ECLI:NL:TGZRAMS:2025:259
Klacht gegrond; berisping. Klager verwijt de arts dat een CBR-keuring niet correct is uitgevoerd en hem geen inzage-, correctie- en blokkeringsrecht is aangeboden. Het college is van oordeel dat het onderzoek op een onderdeel niet aannemelijk is geworden dat urineonderzoek heeft plaatsgevonden en het blokkeringsrecht niet correct is uitgevoerd.
RTG Zwolle 27 oktober 2025, ECLI:NL:TGZRZWO:2025:136
Relevante gezondheidsrechtelijke ontwikkelingen op gebied van wet- en regelgeving en rechtspraak. Dit overzicht is opgesteld door de gezondheidsjuristen van de KNMG.
Het is mogelijk dat uitspraken opgenomen in het onderdeel rechtspraak nog niet onherroepelijk zijn en dat hier nog hoger beroep tegen in wordt gesteld.