Klaagster was gedurende een periode van acht jaar in behandeling bij de psychotherapeut. In juni 2021 liep de behandeling vast en nam de psychotherapeut contact op met de huisarts van klaagster om hierover te overleggen. Klaagster verwijt de psychotherapeut, samengevat, het schenden van zijn beroepsgeheim en onheuse bejegening. Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden op.
Klacht doorbreken beroepsgeheim: De psychotherapeut erkent dat hij niet volgens de GGZ-zorgstandaard heeft gehandeld door contact op te nemen met klaagsters huisarts zonder voorafgaande toestemming, echter hij stelt dat hij met de beste intenties heeft gehandeld en nadien excuus heeft aangeboden aan klaagster en de huisarts. Het college stelt vast dat op grond van de Beroepscode voor psychotherapeuten (ingangsdatum 2018) een psychotherapeut de plicht heeft te zwijgen over alles waarvan hij tijdens de uitoefening van zijn beroep in contacten met cliënten op de hoogte raakt. In dit geval is niet in geschil dat klaagster geen toestemming had gegeven aan verweerder om informatie door te geven aan derden. Verder was er geen sprake van een situatie waarin verweerder zijn beroepsgeheim mocht doorbreken. Het had daarom op de weg van verweerder gelegen om voorafgaand aan het contact met de huisarts, toestemming te vragen aan klaagster. Het RTG beoordeeld de klacht gegrond.
Klacht onheuse bejegening: klaagster verklaarde stelt onder meer dat gesprekken met verweerder plaatsvonden tijdens een wandeling, waarbij verweerder dan een arm om haar heen sloeg en een kus op haar voorhoofd gaf. De psychotherapeut gaf aan dat hij zich kon voorstellen dat hij dit gedaan had, maar dat het niet systematisch was. Ook verklaarde klaagster dat verweerder zijn eigen relatieproblemen met klaagster persoonlijk besprak. Verweerder heeft dit, hoewel hij hiertoe in de gelegenheid is gesteld, niet weersproken. Ook deze klacht is gegrond.
RTG Zwolle 23 december 2025, ECLI:NL:TGZRZWO:2025:168
De klacht heeft betrekking op de zoon van klagers, die beschermd woont bij een zorginstelling. De orthopedagoog is bij de zorginstelling werkzaam als gedragswetenschapper en stuurt op de woonlocatie van de zoon van klagers het team aan. Daarnaast is zij verantwoordelijk voor de kwaliteit van behandeling en diagnostiek en medeverantwoordelijk voor de kwaliteit van de integrale zorg. Klagers klagen, mede namens hun zoon, onder meer over de behandeling van hun zoon en houden de orthopedagoog verantwoordelijk voor het weinige contact met hun zoon. Ook verwijten zij haar dat zij slecht bereikbaar is voor hen. Ten aanzien van de klachtonderdelen die betrekking hebben op de zoon oordeelt het college dat klagers niet-ontvankelijk zijn. Dit heeft te maken met de curatele van de zoon. Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond.
Volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege kan een klagende partij die onder curatele staat zonder toestemming van de curator een tuchtklacht indienen, tenzij aannemelijk is dat die partij niet in staat is om de eigen belangen ter zake van die tuchtklacht behoorlijk waar te nemen. Naar het oordeel van het college komen uit de stukken voldoende omstandigheden naar voren die maken dat de zoon niet in staat is om de eigen belangen ten aanzien van deze tuchtklacht behoorlijk waar te nemen. Verder staat voor het college vast dat de curator achter de genomen zorgmaatregelen stond en de tuchtklacht niet ondersteunt. Om die reden komt aan de ouders niet het recht toe om namens de zoon te klagen. Nu de ouders geen zelfstandig recht hebben om over de behandeling van de zoon te klagen, dienen zij in niet-ontvankelijk te worden verklaard. Kennelijk niet ontvankelijk betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard.
RTG Zwolle 23 december 2025, ECLI:NL:TGZRZWO:2025:167
De aangeklaagde huisarts is medisch directeur van een huisartsenorganisatie. Klaagster stond als patiënt ingeschreven bij een huisartsenpraktijk die is aangesloten bij de organisatie. De huisarts heeft de behandelingsovereenkomst tussen klaagster en de huisartsenpraktijk beëindigd. Klaagster klaagt over de (opvolging van) zorg na het beëindigen van de behandelingsovereenkomst. Het college is van oordeel dat de huisarts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
De huisarts is niet inhoudelijk bij de aan klaagster verleende zorg betrokken geweest. Hij heeft in zijn hoedanigheid als medisch directeur de behandelingsovereenkomst tussen klaagster en de praktijk opgezegd en op grond van het protocol ‘agressie en ongewenst gedrag’ van de praktijk diende verweerder daarbij betrokken te worden. Nu de huisarts niet inhoudelijk betrokken is geweest bij de behandeling van klaagster valt de klacht niet onder de eerste tuchtnorm. Aangezien de klacht gaat over het waarborgen van (opvolgende) zorg bij/na beëindiging van de behandelingsovereenkomst en gaat daarmee over handelen dat weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. De huisarts heeft zich met zijn handelen bij de beëindiging van de behandelingsovereenkomst ook begeven op het deskundigheidsgebied van een (huis)arts. Dit betekent dat het RTG het handelen van de huisarts zal beoordelen onder de tweede tuchtnorm.
Tussen klaagster en de huisartsenpraktijk is een geneeskundige behandelingsovereenkomst tot stand gekomen. Een dergelijke overeenkomst kan niet worden opgezegd, tenzij er sprake is van gewichtige redenen (artikel 7:460 Burgerlijk Wetboek). De KNMG heeft in de richtlijn ‘Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’ van januari 2021 opgenomen onder welke voorwaarden (gewichtige redenen) de behandelingsovereenkomst eenzijdig kan worden beëindigd. Dit kan het geval zijn wanneer een patiënt zeer onheus of agressief gedrag vertoont. Daarbij moet worden voldaan aan de volgende zorgvuldigheidseisen:
De klacht ziet op de opvolging van zorg nadat de behandelingsovereenkomst met de praktijk was beëindigd. Uit de door de huisarts opgestelde en ondertekende beëindigingsbrief, blijkt dat de praktijk zich heeft ingespannen om een alternatieve huisartsenpraktijk voor klaagster te vinden. Er stond op dat moment één huisartsenpraktijk in de regio open voor nieuwe inschrijvingen en aan klaagster werd aangeraden om met de betreffende huisartsenpraktijk contact op te nemen om zich in te schrijven als nieuwe patiënt. Er was dus een beschikbaar alternatief. Dat de praktijk geen (overbruggings)zorg widel verlenen aan klaagster is voor het RTG navolgbaar nu blijkt dat het gedrag van klaagster richting (medewerkers van) de praktijk zeer bedreigend was. Het RTG oordeelt dat opnieuw verlenen van zorg aan klaagster zou kunnen leiden tot een (verdere) ontwrichting van de praktijk en de continuïteit van zorg voor de overige patiëntenpopulatie zou bedreigen, navolgbaar. Het RTG is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende zorgvuldig heeft gehandeld en verklaard de klacht ongegrond.
RTG Zwolle 23 december 2025, ECLI:NL:TGZRZWO:2025:166
De bedrijfsarts had de vertrouwelijke informatie die klager hem had verteld, niet mogen doorgeven aan de casemanager. De informatie was zeer gevoelig en ook niet nodig voor het werk van de casemanager. Daarnaast is het college van oordeel dat de bedrijfsarts niet adequaat heeft geacteerd met betrekking tot het geschil in de arbeidsrelatie. Zeker toen klager zich emotioneler ging uiten, kon niet worden volstaan met het advies dat klager in staat was om terug te keren naar werk. Klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en de maatregel waarschuwing opgelegd.
Vaststaat dat de bedrijfsarts informatie die klager aan hem verstrekte, meer specifiek het dreigement dat klager zich in brand zou steken, heeft gedeeld met de casemanager. Dat dit informatie is die gewisseld is tussen een arts en een patiënt staat niet ter discussie. Uitgangspunt is dus dat dit vertrouwelijke informatie is. Hoewel de bedrijfsarts heeft betoogd dat de casemanager ook een geheimhoudingsplicht heeft, was deze informatie niet alleen zeer gevoelig, maar ook niet nodig voor het werk van de casemanager. De bedrijfsarts had kunnen volstaan met de mededeling dat er medische redenen waren om niet te adviseren. De casemanager heeft deze informatie, ondanks het uitdrukkelijke verzoek van de bedrijfsarts geheimhouding te betrachten, doorgegeven aan de werkgever van klager waarna dit is terechtgekomen in een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat verzoek is uiteindelijk ook toegewezen.
Het RTG beoordeelt de klacht als gegrond en legt de bedrijfsarts een waarschuwing op.
RTG Amsterdam, 23 december 2025, ECLI:NL:TGZRAMS:2025:306
Relevante gezondheidsrechtelijke ontwikkelingen op gebied van wet- en regelgeving en rechtspraak. Dit overzicht is opgesteld door de gezondheidsjuristen van de KNMG.
Het is mogelijk dat uitspraken opgenomen in het onderdeel rechtspraak nog niet onherroepelijk zijn en dat hier nog hoger beroep tegen in wordt gesteld.