Verdachte, een anesthesioloog, wordt ervan beschuldigd dat hij ontucht heeft gepleegd met twee vrouwelijke patiënten. Beide patiënten waren op dat moment onder narcose gebracht door verdachte ten behoeve van een borstverkleining. Bij de tweede patiënte was tevens sprake van een gezwel in één van de borsten. Het aanraken van de borsten door de anesthesioloog was niet medisch noodzakelijk. Het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg stelde eerder vast dat de anesthesioloog hiermee zijn professionele grenzen overschreed. Ook de strafrechter vindt de handelingen van de man misplaatst, immers behoorde beide aanrakingen niet tot zijn taak als anesthesioloog en had hij geen toestemming gevraagd van de patiënten. De verdachte heeft ontkend dat zijn handelingen een seksuele bedoeling hadden en de rechtbank oordeelt dat dat ook niet volgt uit het strafdossier. Voor beide patiënten geldt dat het voorval plaatsvond in de operatiekamer, kort voordat zij een borstverkleinende operatie ondergingen. De borsten waren om die reden ontbloot en ook 'het onderwerp' van het aanwezige medische personeel. Verder staat vast dat er meerdere personen in de ruimte aanwezig waren op het moment van de voorvallen. Al met al oordeelt de rechtbank dat weliswaar sprake is van grensoverschrijdend gedrag, maar dat gelet op deze omstandigheden en de wijze van aanraken van de borst geen sprake was van (opzet op) seksuele handelingen. Dit betekent dat de anesthesioloog geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en wordt vrijgesproken van beide verdenkingen.
Rechtbank Oost-Brabant 11 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:937.
Klager dient een tuchtklacht in tegen een arts in opleiding tot bedrijfsarts die hem begeleidde tijdens zijn ziekte en re-integratie. Hij klaagt over het verlenen van onvoldoende zorg, het geven van onjuiste en tegenstrijdige adviezen, het negeren van het advies van de psycholoog en het niet te vermelden dat zij bedrijfsarts in opleiding is. Klacht gedeeltelijk gegrond. Er is sprake van onvoldoende duidelijke dossiervoering voor wat betreft urenopbouw en reisbeperkingen Verweerster is onvoldoende transparant over het feit dat zij arts in opleiding is en onder supervisie werkte, en haar dossiervoering en adviezen over re-integratie en reisbeperkingen zijn onvoldoende duidelijk. Waarschuwing.
RTG ’s-Hertogenbosch 11 februari 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:33.
Klacht tegen bedrijfsarts over de 26-weken rapportage waarin deze onjuist vermeldt dat een (telefonisch) consult heeft plaatsgevonden en, zonder informatie over een operatie die heeft plaatsgevonden, rapporteert dat herstel binnen 26 weken niet mogelijk is. Het college overweegt dat de 26-weken-verklaring voor de werknemer een zwaarwegend document is, nu deze in een UWV-procedure over beëindiging van het dienstverband betekenis kan hebben. De bedrijfsarts heeft onzorgvuldig gehandeld door niet te vermelden dat het consult niet heeft plaatsgevonden en door niet naar de actuele situatie na de operatie te informeren, waarmee zijn advies onvoldoende inzichtelijk en toetsbaar is. Volgt de maatregel van berisping.
RTG ’s-Hertogenbosch 11 februari 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:32.
Klaagster was in opleiding tot anesthesiemedewerker in het ziekenhuis waar verweerder als
anesthesioloog werkzaam is. Tussen klaagster en de anesthesioloog ontstond in 2022 een
vriendschappelijke relatie, welke relatie zich ontwikkelde tot een verliefdheidsrelatie. Na een
incident tussen de anesthesioloog en de partner van klaagster (hierna ook: de partner), is de relatie in maart 2024 geëindigd. Klaagster verwijt de anesthesioloog grensoverschrijdend gedrag, bestaande uit - onder meer - emotionele mishandeling, machtsmisbruik en ongewenste aanrakingen. De anesthesioloog stelt zich op het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk is omdat de klacht volgens hem niet gaat over zijn beroepsmatig handelen, maar om een privékwestie waarvoor het tuchtrecht niet bedoeld is. Voor het geval klaagster wel ontvankelijk is, betwist de anesthesioloog dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het college komt tot het oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht, maar dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard.
RTG ’s-Hertogenbosch 11 februari 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:28.
Klacht tegen een huisarts. Klaagster is moeder van twee kinderen. Klaagster en de vader van de kinderen zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. De huisarts van de vader (verweerster) heeft schriftelijke informatie verstrekt die door de vader in de echtscheidingsprocedure is ingediend. Ook heeft de huisarts in het kader van een raadsonderzoek informatie verstrekt aan de Raad voor de Kinderbescherming. Klaagster verwijt de huisarts dat zij: a) haar beroepsgeheim op meerdere vlakken heeft geschonden door het verstrekken van informatie over klaagster; b) de vader en zijn broer heeft aangezet tot het doen van een valse anonieme melding bij Veilig Thuis; c) zich onprofessioneel heeft uitgelaten in haar rapportages door haar eigen emoties en gedragingen te benoemen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klachtonderdelen a) en c) gegrond, klachtonderdeel b) ongegrond en legt de huisarts de maatregel op van berisping. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de huisarts, dat uitsluitend ziet op de zwaarte van de opgelegde maatregel.
CTG Den Haag 11 februari 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:33.
Klacht tegen een chirurg, over een besnijdenis. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard voor zover die ziet op het ontbreken van een informed consent. Ter zake daarvan is aan de chirurg de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard. De chirurg heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld; zijn beroep strekt ertoe dat het in eerste aanleg gegrond verklaarde klachtonderdeel in beroep alsnog ongegrond wordt verklaard. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich aan bij het Regionaal Tuchtcollege en verwerpt het beroep van de arts.
CTG Den Haag 11 februari 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:32.
Klacht tegen een arts, in hoedanigheid van medisch adviseur. De arts is gepensioneerd internist. Hij heeft in opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster een medisch advies uitgebracht over de haalbaarheid van een aansprakelijkstelling van een neurochirurg, die bij klaagster een operatie aan de nek/hals had uitgevoerd vanwege een vernauwing van een nekwervel. Klaagster had na deze operatie een algehele verlamming van de ledematen opgelopen. Klaagster heeft vier klachten geuit over de medisch adviseur. Een van de klachten luidt dat de medisch adviseur in strijd met de GBL heeft gehandeld door als niet praktiserend internist een oordeel te geven over het handelen van de neurochirurg die de operatie bij klaagster heeft verricht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster deels niet-ontvankelijk, omdat klaagster niet voor alle klachtonderdelen beroepsgronden formuleert. Het beroep ten aanzien van de totstandkoming van het medisch advies verklaart het Centraal Tuchtcollege gegrond. Het medisch advies is niet zorgvuldig tot stand gekomen. Aan de arts wordt geen maatregel opgelegd.
CTG Den Haag 11 februari 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:31.
Klacht tegen een bedrijfsarts. Klager heeft zich ziekgemeld bij zijn werkgever. De werkgever van klager wisselde anderhalve maand na zijn ziekmelding van arbodienst. De bedrijfsarts is als stafarts werkzaam bij de nieuwe arbodienst en werd verantwoordelijk voor de begeleiding van klager. De begeleiding van klager werd uitgevoerd door twee verschillende inzetbaarheidsdeskundigen die onder taakdelegatie van de bedrijfsarts werkten. Het contact met de werkgever verliep ook via deze inzetbaarheidsdeskundigen. De bedrijfsarts heeft zelf geen contact gehad met klager en de werkgever. Klager verwijt de bedrijfsarts - in meerdere klachtonderdelen - dat zij niet op de juiste wijze heeft gehandeld bij zijn verzuimbegeleiding. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager ongegrond verklaard. Klager heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Door de operationele begeleiding van de klager volledig over te laten aan de inzetbaarheidsdeskundigen en zelf op afstand te blijven terwijl er sprake was van een kwetsbare medewerker en een werkgever die de adviezen die hij kreeg via de inzetbaarheidsdeskundigen niet opvolgde, is de bedrijfsarts ernstig tekortgeschoten. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en legt de bedrijfsarts een berisping op.
CTG Den Haag 11 februari 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:29.
Klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster is gedurende acht maanden onder begeleiding geweest van de bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij op veel punten tekortgeschoten is in de begeleiding, waarbij hij haar onder andere onterecht heeft doorverwezen en haar privacy heeft geschonden. Daarnaast maakt klaagster de bedrijfsarts verwijten over zijn dossiervoering. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en de bedrijfsarts een berisping opgelegd. De bedrijfsarts heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond, waarmee de maatregel van berisping komt te vervallen.
CTG Den Haag 11 februari 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:28.
Klaagster werd al langere tijd behandeld wegens psychiatrische problematiek. Zij is in april 2021 in behandeling gekomen bij het FACT-team van de D.-Groep. De psychiater is gedurende een aantal maanden de regiebehandelaar van klaagster geweest. Klaagster verwijt de psychiater – onder meer – dat hij haar niet heeft verwezen naar een andere instelling en dat hij ervoor heeft gezorgd dat er vertraging in haar behandeling is ontstaan. Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft het klachtonderdeel over vertraging in de behandeling gegrond verklaard, de psychiater de maatregel van berisping opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn zodat de maatregel van berisping komt te vervallen.
CTG Den Haag 11 februari 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:26.
Een Franse man legde in een positieve wilsverklaring vast dat hij wilde dat levensverlengende behandelingen zouden worden voortgezet, zelfs als hij blijvend het bewustzijn zou verliezen en niet langer met zijn familie zou kunnen communiceren. Tijdens een bedrijfsongeval liep de man ernstig (hersen)letsel op. In het ziekenhuis werd onder andere vastgesteld dat er geen hersenstamreflexen en hersenactiviteit meer was. Het medische team concludeerde dat verdere behandeling van de man medisch zinloos was en wilde de behandeling daarom staken. De echtgenote en zussen van de man waren het niet met deze beslissing eens en wezen de artsen op de positieve wilsverklaring. Ondanks deze wilsverklaring, bleef het medisch team bij haar beslissing om de behandeling te staken. Daarop startten de echtgenote en zussen meerdere gerechtelijke (spoed)procedures om het staken van de behandeling alsnog te voorkomen. Hun verzoek om de behandeling voort te zetten, werd door alle Franse rechters afgewezen. Nadat ook de hoogste bestuursrechter (Conseil d'État) het verzoek afwees, is de behandeling gestaakt en is de man man overleden.
Bij het EHRM klagen de drie vrouwen dat het staken van de medische behandeling in strijd was met onder meer artikel 2 (recht op leven) en artikel 8 (recht op privéleven) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), te meer gelet op de positieve wilsverklaring die hun echtgenoot/broer had opgesteld. Het EHRM stelt vast dat geen sprake is geweest van een schending van artikel 2 en 8 van het EVRM. Het Franse rechtssysteem, dat artsen de ruimte biedt om onder bepaalde omstandigheden af te wijken van een wilsverklaring van een patiënt, is volgens het EHRM verenigbaar met artikel 2 en 8 EVRM. Het EHRM wijst hierbij op eerdere uitspraken waarin het heeft vastgesteld dat het EVRM lidstaten niet verplicht om wilsverklaringen juridisch bindend te laten zijn. Lidstaten mogen zelf bepalen of zij dit willen regelen; dat valt binnen hun zogenoemde eigen beoordelingsruimte (“margin of appreciation”). De regeling die Frankrijk heeft getroffen, namelijk dat voorbij kan worden gegaan aan een wilsverklaring als deze kennelijk ongepast of onverenigbaar met de medische situatie van de patiënt is én de bij wet vastgelegde besluitvormingsprocedure is doorlopen, is volgens het EHRM voldoende duidelijk en voldoet aan de eisen van artikel 2 EVRM. Daarnaast zijn de familieleden volgens het EHRM voldoende betrokken in de besluitvorming rondom het staken van de behandeling en hebben zij ook afdoende mogelijkheid gehad om het besluit juridisch aan te vechten. De Franse staat heeft zich in deze zaak gehouden aan haar verplichtingen op grond van artikel 2 EVRM, aldus het EHRM.
EHRM 5 februari 2026, ECLI:CE:ECHR:2026:0205JUD005502622 (alleen beschikbaar in het Frans) & officieel persbericht (beschikbaar in het Engels) d.d. 5 februari 2026.
Klacht tegen anesthesioloog. De anesthesioloog verzorgde de inleiding van de algehele anesthesie bij de operatie van klager. Na de inleiding vertrok zij uit de operatiekamer. Ongeveer twee uur later, ruim een uur na de operatie, bezocht zij klager weer. Klager was op dat moment nog niet wakker uit de algehele anesthesie en was niet goed wekbaar. Toen klager wakker werd, had hij afasie en een rechter hemiparese. Na 40 minuten werd er een ambulance opgeroepen. Klager verwijt de anesthesioloog dat: a) zij niet heeft gehandeld volgens de professionele standaard door niet direct betrokken te zijn bij klager gedurende een periode van 120 minuten, startend direct na een problematische inleiding tot en met 65 minuten postoperatief; b) er sprake is van gebrekkige en/of foutieve dossiervoering; c) zij niet efficiënt heeft gehandeld nadat zij opmerkte dat er bij klager sprake was van een sterk afwijkend neurologisch beeld met duidelijke tekenen van een hemiparese, met als gevolg onnodig veel vertraging in een acute situatie. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel c) gegrond verklaard, de anesthesioloog de maatregel op van waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege passeert in beroep het ontvankelijkheidsverweer van de anesthesioloog. Niet gebleken dat klager uitsluitend procedeert om de anesthesioloog te schaden, dus geen misbruik van recht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt verder het beroep van klager dat ziet op de klachtonderdelen a) en b).
CTG Den Haag 4 februari 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:25.
Ongegronde klacht tegen een orthopedisch chirurg. Tijdens het uitvoeren van een totale knieprothese is door de orthopedisch chirurg een fausse route gemaakt (een zeldzame complicatie). Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij tijdens de operatie een fout heeft gemaakt door op een verkeerde plek en te ver door het bot te boren. Daarnaast verwijt klaagster hem dat hij de operatie niet met een robotarm uitvoerde. College: De orthopedisch chirurg heeft adequaat gereageerd, nadat hij ontdekte een fausse route te hebben gemaakt, door direct een collega te consulteren, een nieuwe route te maken en dezelfde dag nog aanvullend onderzoek uit te voeren. Het gebruik van een robotarm is niet voorgeschreven in de richtlijnen en het staat de orthopedisch chirurg vrij te kiezen voor traditioneel instrumentarium.
RTG ’s-Hertogenbosch 4 februari 2026, ECLI:NL:TGZRSHE:2026:23.
Relevante gezondheidsrechtelijke ontwikkelingen op gebied van wet- en regelgeving en rechtspraak. Dit overzicht is opgesteld door de gezondheidsjuristen van de KNMG.
Het is mogelijk dat uitspraken opgenomen in het onderdeel rechtspraak nog niet onherroepelijk zijn en dat hier nog hoger beroep tegen in wordt gesteld.