Klager en verweerster hebben elkaar leren kennen via een datingsite en gedurende een periode van ongeveer twee maanden regelmatig contact met elkaar gehad. Nadat verweerster het contact had beëindigd, heeft klager op verschillende manieren geprobeerd om de contacten te hervatten. De klacht heeft (samengevat) betrekking op het handelen van verweerster ten opzichte van klager, haar handelen als zorgondernemer en de wijze waarop zij ten aanzien van een aantal patiënten als huisarts heeft gehandeld. Het college is van mening dat geen sprake is geweest van een behandelrelatie. De eerste tuchtnorm heeft (kort gezegd) betrekking op tekortschieten ten opzichte van een patiënt of diens naaste betrekking. Nu er geen sprake was van een behandelrelatie kan deze tuchtnorm niet van toepassing zijn. Op basis van de tweede tuchtnorm kunnen gedragingen van een BIG-geregistreerde zorgverlener die niet zijn begaan binnen een behandelrelatie tuchtrechtelijk worden getoetst wanneer sprake is van gedragingen die een gevaar voor patiënten kunnen opleveren of die het vertrouwen in de beroepsuitoefening ernstig kunnen schaden.
Net als het RTG is het CTG van oordeel dat schending van de tweede tuchtnorm ook niet aan de orde is. Het is duidelijk dat klager na het beëindigen door verweerster van het contact teleurgesteld was en dat hij aan het contact het gevoel overhield dat hij misbruikt, opgelicht en uitgebuit was. Verder neemt hij het verweerster kwalijk dat zij aangifte van stalking heeft gedaan en dat zij het vertrouwen dat hij in haar had heeft geschaad. Het aangaan of beëindigen van een (liefdes)relatie is echter bij uitstek een privékwestie. De vraag of betrokkenen zich ten opzichte van elkaar wel of niet fatsoenlijk hebben gedragen tijdens of na de relatie kan niet ter beoordeling worden voorgelegd aan de tuchtrechter. De voorzitter heeft in het (omvangrijke) dossier geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat er sprake is (geweest) van ernstige misdragingen die gevaar voor patiënten kunnen opleveren en/of het vertrouwen in de beroepsuitoefening kunnen schaden. Het beroep tegen oordeel van RTG dat klacht niet-ontvankelijk is, wordt afgewezen.
CTG Den Haag, 26 februari 2026, ECLI:NL:TGZCTG:2026:36
Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij onzorgvuldige diagnostiek heeft gedaan wegens onvoldoende kennis en kunde over de psychiatrie/GGZ. Het college overweegt dat de bedrijfsarts tijdens het gesprek met klaagster heeft gesproken en een uitgebreide anamnese afgenomen. Hij beschikte dus over veel informatie zoals ook uit de aantekeningen in het medisch dossier blijkt. Uit die informatie bleek onder meer dat klaagster van jongs af aan lichamelijke en mentale klachten heeft. Ook ten tijde van de situatie in de onderhavige klacht spelen met name mentale (stressgerelateerde) klachten. Haar huisarts heeft haar verwezen naar een klinisch psycholoog die een intakegesprek met haar heeft gevoerd. Het is gebruikelijk om als bedrijfsarts tijdens een consult een anamnese en psychiatrisch onderzoek te doen op basis waarvan de bedrijfsarts tot een voorlopige conclusie (werkdiagnose) komt. Ondanks de beschikbare en uitgebreide informatie van klaagster heeft de bedrijfsarts geen (werk)diagnose gesteld. Het college is van oordeel dat van een bedrijfsarts mag worden verwacht dat hij over voldoende basiskennis onder andere op het gebeid van de psychiatrie beschikt om tot een (werk)diagnose te komen en op basis daarvan zijn beleid te bepalen. Zo nodig had de bedrijfsarts conform de NVAB-richtlijn psychische problemen als hulpmiddel de vierdimensionale klachtenlijst(4DKL) kunnen hanteren om de psychische klachten van klaagster in kaart te brengen. Nu de bedrijfsarts, ondanks de beschikbare informatie, geen (werk)diagnose heeft gesteld, is er geen sprake van zorgvuldige diagnostiek. Deze klacht is gegrond, maatregel berisping opgelegd
RTG Zwolle, 25 februari 2026, ECLI:NL:TGZRZWO:2026:35
Klagers hebben zich tot de huisarts gewend in verband met toegenomen gedragsproblemen bij hun minderjarige zoon en met het verzoek om herhaling van een in het buitenland voorgeschreven antipsychoticum aan hun zoon. Klagers maken de huisarts uiteenlopende verwijten over onder meer de wijze waarop zij heeft gehandeld naar aanleiding van de hulpvraag voor hun zoon, haar dossiervoering, communicatie, klachtafhandeling en een door haar gedane melding bij Veilig Thuis. Klagers verwijten huisarts dat zij vrijwel direct en zonder nadere toelichting het stappenplan heeft geactiveerd en dat zij hierbij zeer onzorgvuldig en prematuur te werk is gegaan. Verder wordt huisarts verweten dat er geen sprake is geweest van een objectief en stapsgewijs doorlopen van de meldcode. Door het doen van een zorgmelding is daarnaast volgens klagers sprake van een ongeoorloofde schending van het beroepsgeheim. Het college stelt vast dat de huisarts en haar collega’s de zorgen omtrent patiënt uitgebreid in kaart hebben gebracht. Deze zorgen zijn ook diverse malen besproken met de vertrouwensartsen van Veilig Thuis, bij intervisiegroepen en onderling in de praktijk. Klagers zijn meermaals gebeld en aangeschreven over de stand van zaken. Daarbij zijn zij veelvuldig uitgenodigd om in gesprek te gaan, waarbij ook kenbaar is gemaakt welke informatie de huisartsen nodig hadden en dat de meldcode nog openstond. Van een gesprek is het echter niet gekomen. Toestemming om met andere zorgverleners te overleggen werd door klagers niet gegeven en ook werd geen informatie van andere zorgverleners ontvangen. De huisarts en haar collega’s meenden dat zij op die manier onvoldoende effectieve zorg konden bieden en organiseren en hier in ieder geval geen zicht op hadden. Daarnaast konden zij niet aan hun zorgplicht voldoen en de veiligheid van patiënt niet garanderen en monitoren. Het college volgt de huisarts in de conclusie dat hiermee is voldaan aan het stappenplan en het afwegingskader en dat met recht een melding bij Veilig Thuis is gedaan. Daarmee was ook een legitimatie gegeven om medische informatie over patiënt te delen. Van schending van het beroepsgeheim is dan ook geen sprake.
RTG Zwolle, 25 februari 2026, ECLI:NL:TGZRZWO:2026:34
De partner van klager (hierna: patiënte) is bij de huisarts op consult geweest vanwege kortademigheid, met name bij inspanning, en een verhoogde hartslag in rust. Na onderzoek door de huisarts werden de klachten toegeschreven aan een bijwerking van de door patiënte gebruikte medicatie voor gewichtsverlies. Drie dagen later is patiënte onverwacht overleden als gevolg van een longembolie. Klager verwijt de huisarts onder meer dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Het college is met de huisarts van oordeel dat het missen van de juiste diagnose niet zonder meer tuchtrechtelijk verwijtbaar is. In dit geval ligt dat echter anders. De huisarts is wat het college betreft te snel en te stellig op het spoor van de bijwerking van Saxenda gaan zitten als oorzaak van de tachycardie. Het medisch dossier vermeldt in dit verband: “Geen andere verklaring voor tachycardie dan bijwerking.” De kortademigheid en de daarmee gepaard gaande immobiliteit, het overgewicht en het pilgebruik van patiënte hadden echter voor de huisarts aanleiding moeten zijn om nader diagnostisch bloedonderzoek te doen. Ter zitting is niet goed duidelijk geworden waarom de huisarts dit heeft nagelaten. Hij heeft benoemd dat patiënte een complexe medische voorgeschiedenis had, met onder andere angstklachten, fors overgewicht, veel somatisch ongemak waaronder dyspnoe, maar dit maakt niet duidelijk waarom dan nader onderzoek, te weten het prikken van een d-dimeer, achterwege kon blijven. Dit betekent dat beide klachtonderdelen gegrond zijn. Maatregel van berisping wordt opgelegd.
RTG Amsterdam, 24 februari 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:33
De klacht gaat over een bedrijfsarts, die in dit geval werkzaam is als superviserend bedrijfsarts van een arbo-arts die klager begeleidde in het kader van de verzuimbegeleiding. Klager heeft verschillende klachten ten aanzien van de arbo-arts en haar supervisor die hij in deze tuchtprocedure richt tegen de supervisor. Volgens klager was onder andere de uitleg en informatieverstrekking over de rol van de arbo-arts en de bedrijfsarts als supervisor niet in orde. Klager verwijt de bedrijfsarts dat de transparantie ontbreekt over de rol/hoedanigheden van de arbo-arts en de bedrijfsarts in de uitnodigingsbrief en tijdens het consult. Ook vindt klager dat de supervisie en de goedkeuring door de bedrijfsarts niet duidelijk staan vermeld in het consultrapport. Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken acht het college het aannemelijk dat de rollen van de arbo-arts en de bedrijfsarts aan het begin van het consult aan klager zijn uitgelegd. Dat de arbo-arts zich als bedrijfsarts heeft voorgedaan kan het college niet vaststellen. Daarnaast staat in het rapport bij de ondertekening dat de bedrijfsarts de supervisor is. Er is dan ook geen sprake van onvoldoende transparantie over de supervisie of het ontbreken van goedkeuring van het rapport. Hoewel in de uitnodigingsbrief een link naar de website wordt vermeld met onder andere daarin uitleg over taakdelegatie en wat een taakgedelegeerde doet, was het beter geweest als de supervisieconstructie van tevoren expliciet was aangekondigd en in het medisch dossier was genoteerd. Dit levert als zodanig geen tuchtrechtelijk verwijt op. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
RTG Zwolle, 24 februari 2026, ECLI:NL:TGZRZWO:2026:31
Klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij al eerder en klacht tegen de verzekeringsarts heeft ingediend en de nieuwe klacht in de kern op hetzelfde neerkomt. In artikel 51 van de Wet Big is bepaald dat niemand opnieuw tuchtrechtelijk berecht kan worden over handelen of nalaten waarover al eerder een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen (’ne bis in idem’). De voorzitter stelt vast dat de hiervoor genoemde klacht, die nog expliciet bij klaagster is nagevraagd, in de kern neerkomt op het verwijt dat de verzekeringsarts ten onrechte heeft nagelaten medische gegevens op te vragen bij de ziekenhuizen waar klaagster geopereerd was. Anders dan klaagster stelt, is het onderwerp van deze klacht wel degelijk aan de orde in de vorige procedure. Het college heeft de klacht op dat punt kennelijk ongegrond verklaard. Dat klaagster nu op onderdelen nieuwe aspecten noemt die in verband staan met hetzelfde handelen, maakt dat niet anders. Klacht niet-ontvankelijk.
RTG Zwolle, 24 februari 2026, ECLI:NL:TGZRZWO:2026:32
Klager is bij de huisarts geweest vanwege pijn op de borst en hoesten. De huisarts schreef een inhalatiemiddel voor en liet een holteronderzoek doen, waarbij geen bijzonderheden werden gevonden. Vervolgens verwees hij klager voor een fietsergometrie. Voordat de fietsergometrie had plaatsgevonden, is klager door een cardioloog gedotterd. Klager verwijt de huisarts dat hij onredelijk lang met een risico van een hartinfarct heeft gelopen en dat zijn herstelproces is vertraagd doordat er geen adequate behandeling heeft plaatsgevonden. De huisarts heeft toegelicht dat hij, op basis van wat klager vertelde en het lichamelijk onderzoek, uitging van pijn van de borstkas na een (maandenlange) periode van hoesten. Wel vond hij dat de snelle polsslag hier niet volledig bij paste. Om een ritmestoornis uit te sluiten vroeg hij daarom een holteronderzoek aan. Uit dit onderzoek bleek niet dat er sprake was van een ritmestoornis. Vanwege de aanhoudende klachten en om een ischemische (onvoldoende doorbloeding) oorzaak uit te sluiten, verwees de huisarts klager voor een fietsergometrie. Het college is van oordeel dat de huisarts voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. De klachten die hierbij naar voren kwamen waren atypisch. Gezien de hoge hartslag is voor het college navolgbaar dat de huisarts klager heeft doorverwezen voor een holteronderzoek en een fietsergometrie. Tijdens de spreekuurcontacten was er geen sprake van symptomen die duidden op een dreigend hartinfarct. Er was op dat moment dan ook geen indicatie voor een spoedverwijzing naar het ziekenhuis. Klacht ongegrond.
Klager heeft nog naar voren gebracht dat de klachten verergerden en dat hierover meerdere malen met de huisartsenpraktijk is gebeld. De huisarts stelt dat hij geen bericht heeft gekregen dat de klachten waren toegenomen. Het college kan uit het medisch dossier niet opmaken dat er tussentijds is gebeld met de huisartsenpraktijk. Om die reden kan het college niet vaststellen dat de huisarts op de hoogte was van toegenomen klachten en of hij naar aanleiding daarvan al dan niet adequaat heeft gereageerd. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van de huisarts, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst de feiten moeten worden vastgesteld waarop het verwijt is gebaseerd. Deze feiten kan het college hier niet vaststellen. Klacht ongegrond.
RTG Amsterdam, 24 februari 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:36
Klager is door twee huisartsen, verweerster en verweerder in de zaak A2025/8362, gezien en beoordeeld. Enkele dagen later is in het ziekenhuis de diagnose fasciitis necroticans gesteld en heeft klager zeer intensieve maar ook mutilerende behandelingen ondergaan die hem uiteindelijk hebben gered maar met zeer ernstig en blijvend letsel tot gevolg. Het college overweegt dat in de situatie van klager het geenszins voor de hand lag dat de klachten waarmee klager eerst bij de waarnemend huisarts en vervolgens ook bij de andere huisarts presenteerde, zich uiteindelijk zo zouden ontwikkelen zoals zij hebben gedaan. Volgens het college kan op basis van de klachten en bevindingen ten tijde van het consult niet de conclusie worden getrokken dat sprake was van een ernstige keelontsteking. Er was weliswaar sprake van slikklachten, maar er was geen sprake van koorts, pus, kwijlen of ernstig ziek zijn en aldus was er geen sprake van (objectief vaststelbare) ernstige symptomen. Verweerster heeft ervoor gekozen om, nu er geen sprake was van ernstige symptomen die duidden op een ernstige keelontsteking, de behandeling zonder antibioticum voort te zetten. Dit is in lijn met de NHG standaard Acute keelpijn 2007 geweest. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.
RTG Amsterdam, 24 februari 2026, ECLI:NL:TGZRAMS:2026:35
Relevante gezondheidsrechtelijke ontwikkelingen op gebied van wet- en regelgeving en rechtspraak. Dit overzicht is opgesteld door de gezondheidsjuristen van de KNMG.
Het is mogelijk dat uitspraken opgenomen in het onderdeel rechtspraak nog niet onherroepelijk zijn en dat hier nog hoger beroep tegen in wordt gesteld.