Structurele financiering van opleidingen noodzakelijk voor sociale geneeskunde
tekst Naomi van Esschoten
De manier waarop sociaal-geneeskundige opleidingen nu worden gefinancierd, is versnipperd en kent geen vaste structuur. Bovendien staat deze wijze van financieren noodzakelijke verbeteringen in de kwaliteit van de opleiding in de weg om maatschappelijke uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Verandering is nodig om deze zorg in maat en getal op peil te houden. ‘We moeten de vicieuze cirkel doorbreken.’
In het kantoor van het UWV stapelen de dossiers zich op. Wie recht heeft op een WIA-uitkering, wacht gemiddeld 21 weken -soms oplopend tot 15 maanden- op een claimbeoordeling, terwijl de wettelijke termijn 8 weken is. De oorzaak: te weinig verzekeringsartsen. Veel factoren spelen een rol bij de tekorten aan de verschillende sociaal-geneeskundige beroepen. Het begint echter bij het opleiden: structurele, onafhankelijke financiering van de opleiding kan daarom een stevige impuls geven aan de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de sociaal-geneeskundige opleidingen.
Om de tekorten aan extramurale artsen terug te dringen, heeft de KNMG samen met UMCNL (voorheen NFU) in het programma Meer Extramurale Artsen gewerkt aan verschillende actieplannen. Die richten zich op uiteenlopende terreinen, passend bij de diversiteit aan oorzaken die aan het tekort ten grondslag liggen. Kartrekker van Actieplan 4 "Structurele financiering van vervolgopleidingen sociale geneeskunde”, Marlies Telgenkamp: ‘Zolang de financiering van opleidingen vooral afhankelijk blijft van werkgevers, blijven we steken. De oplopende wachttijden zorgen er bijvoorbeeld voor dat aiossen en opleiders vrijwel alleen bezig zijn met productie en spreekuren, en te weinig basisartsen aan hun opleiding kunnen beginnen. Die eenzijdigheid maakt de opleiding minder aantrekkelijk en leidt tot minder werkplezier. Daardoor kiezen weer minder artsen voor de sociaal geneeskundige vakken. Die vicieuze cirkel moeten we doorbreken.’
Hoe zit dat met de financiering? De geneeskundige specialismen zijn onderverdeeld in 3 clusters. ‘Specialismen uit cluster 3, sociale geneeskunde, vallen onder andere wetten en ministeries dan curatieve specialismen,’ vertelt Nikita van den Berge, lid van de werkgroep van Actieplan 4, aios Maatschappij + Gezondheid en voorzitter van het Landelijk Overleg Sociaal-Geneeskundigen in Opleiding (LOSGIO). ‘Verzekerings- en bedrijfsgeneeskunde vallen onder het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en infectieziektebestrijding en jeugdartsen onder het ministerie van VWS. Hierdoor is sprake van verschillende financieringsstromen. Voor de ene opleiding zijn er structurele middelen, voor de andere wordt jaarlijks een subsidie vastgesteld. En voor bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde is er geen structurele landelijke financiering. Werkgevers betalen deze opleidingen.’ Dit lijkt positief maar werkt perverse prikkels in de hand, doordat werkgevers die niet opleiden profiteren van werkgevers die dat wel doen.
‘‘De afspraken en verplichtingen zijn per werkgever anders
Telgenkamp, die ook bestuursvoorzitter is van stichting SBOH, werkgever van ruim 3.500 artsen in opleiding buiten het ziekenhuis en financier van 12 opleidingen, spreekt dan ook van ‘marktfalen’. ‘Sociaal-geneeskundige opleidingen dienen een publiek en wettelijk belang. Twee voorbeelden: verzekeringsartsen hebben een wettelijke taak voor de verplichte WIA-beoordelingen en voor bedrijfsartsen is adviseren over preventie essentieel. Maar omdat de financiering nu grotendeels privaat en versnipperd is, staan kwaliteit, instroom en uitvoerbaarheid onder druk.’ Van den Berge illustreert dat:
‘Binnen de bedrijfsgeneeskunde verschillen de afspraken over de financiering per werkgever. Werkgevers hebben bovendien veel invloed op de inhoud van de opleiding. Daardoor varieert ook de kwaliteit. Sommige aiossen krijgen ruimte voor preventie en innovatie, maar elders ligt de nadruk vooral op productie: verzuimspreekuren draaien. Dat verschraalt de opleiding.’
Telgenkamp: ‘Willen we de sociale geneeskunde overeind houden, dan moeten we in elk geval zorgen dat de opleidingen stabiel en toekomstbestendig zijn gefinancierd.’
Actieplan 4 richt zich daarom op structurele financiering van de sociaal-geneeskundige vervolgopleidingen. Binnen dit actieplan heeft een werkgroep met vertegenwoordigers van werkgevers, beroepsverenigingen, opleidingsinstituten en aiossen onderzocht welke vormen van financiering toekomstbestendig zijn, vertelt Marlies Telgenkamp. ‘We hebben gekeken vanuit drie invalshoeken: 1) marktfalen, 2) wettelijke verankering en 3) kwaliteit van de opleiding en het opleidingsklimaat. Daaruit kwam naar voren dat publieke, structurele financiering onmisbaar is voor de wettelijke uitvoerbaarheid, de kwaliteit en een goed opleidingsklimaat.’
Er is niet één oplossing die voor elke sociaal-geneeskundige vervolgopleiding werkt. Telgenkamp: ‘Zo ziet de werkgroep landelijk werkgeverschap als beste optie voor verzekeringsartsen en voor de profielen die vallen onder het specialisme arts M+G en nu niet gefinancierd worden. Net als bij andere extramurale opleidingen die onder de SBOH vallen, betekent dat één cao, een duidelijke scheiding tussen opleider en werkgever en een geborgd opleidingsklimaat.’ Voor bedrijfsartsen kiest de werkgroep bewust voor een ander model: een opleidingsfonds. ‘De bedrijfsgeneeskundige zorg is nu grotendeels privaat georganiseerd. Met een opleidingsfonds blijven werkgevers bijdragen, maar worden de middelen voor opleiding centraal beheerd. Zo borgen we kwaliteit en continuïteit, zonder het hele systeem publiek te maken.’ Van den Berge vult aan: ‘Voor aiossen betekent dit dat je minder afhankelijk bent van één werkgever. Je behoudt de voordelen van het huidige systeem, maar krijgt meer zeggenschap over je opleiding en meer gelijkheid in opleidingsvoorwaarden.’
‘We willen voldoende instroom, een aantrekkelijke opleiding en uitval en uitstroom voorkomen. We hebben geen arts te verliezen’
Uniek is dat alle betrokken partijen binnen de werkgroep het eens zijn over de oplossingsrichtingen. Telgenkamp: ‘Ondanks de verschillende belangen overheerst bij alle partijen het besef dat niemand het alleen kan. De tijdgeest helpt ook: we staan voor dezelfde maatschappelijke uitdagingen. De zorgvraag en het arbeidsmarkttekort nemen toe. We willen voldoende instroom, een aantrekkelijke opleiding en uitval en uitstroom voorkomen. We hebben geen arts te verliezen.’
Tot slot willen Marlies Telgenkamp en Nikita van den Berge benadrukken dat alleen structurele publieke financiering het probleem niet oplost. ‘De oorzaak is multifactorieel en dus moeten we aan meerdere knoppen draaien’, ziet Van den Berge. ‘Het is bijvoorbeeld belangrijk om iets te doen aan de beeldvorming, zodat jongeren bij het woord dokter niet alleen aan het ziekenhuis denken, maar ook aan de arts midden in de samenleving. Die twee vullen elkaar aan. Ook daarin liggen nog kansen: specialismen beter met elkaar verbinden. Denk bijvoorbeeld aan een stage van bedrijfsartsen bij verzekeringsartsen of bij huisartsen of cardiologen, zodat je elkaar beter begrijpt. Zo kunnen we beter samenwerken en slimmer omgaan met de beschikbare capaciteit.’
Meer lezen over de werkgroep en alle actieplannen? Zie Extramurale artsen.
Ben je arts en wil je reageren op dit artikel, stuur dan een mail naar communicatie@fed.knmg.nl
Lees meer nieuws