Het aantal meldingen van euthanasie is de afgelopen jaren sterk gestegen. Inmiddels zijn er bijna tienduizend meldingen per jaar, wat ongeveer 6% van het totaal aantal sterfgevallen in Nederland is. Uit het recente RISE-onderzoek blijkt dat dit komt door diverse ontwikkelingen in de samenleving, zoals vergrijzing en een toenemende nadruk van patiënten op hun eigen wensen en keuzes. Euthanasie is ook steeds zichtbaarder, bespreekbaarder en breder aanvaard. Hieronder reageert de KNMG op het onderzoek.
De KNMG vindt het een waardevol, zorgvuldig en genuanceerd rapport. De KNMG spreekt dan ook haar waardering uit voor de onderzoekers. Het onderzoek schetst een breed beeld van de ontwikkelingen rond euthanasie en laat zien dat de stijging niet aan één oorzaak is toe te schrijven, maar het gevolg is van een samenspel van maatschappelijke, culturele, demografische en professionele ontwikkelingen.
Volgens de KNMG is een stijging dan wel daling van het aantal meldingen van euthanasie niet per definitie problematisch. Van belang is vooral de zorgvuldige uitvoering van euthanasie. Positief vinden wij dan ook dat het rapport ruimte biedt aan verschillende perspectieven en dat zowel factoren die kunnen bijdragen aan verruiming van het uitvoeren van euthanasie als factoren die juist begrenzend werken een plaats krijgen. Het onderzoek laat ook zien dat de euthanasiepraktijk zorgvuldig is, en er breed vertrouwen bestaat in de huidige procedures. Dit sluit aan bij eerdere conclusies van de KNMG.
De stijging van het aantal meldingen van euthanasie is volgens het rapport (mede) toe te schrijven aan het ‘goede en tijdige gesprek’ rond het levenseinde dat steeds vaker wordt gevoerd tussen patiënten en artsen. Zoals het rapport schetst, is dat een ontwikkeling die de KNMG in haar standpunten steeds meer is gaan benadrukken. Van belang daarbij is dat de balans tussen wat een patiënt wenst en wat een arts kan bieden gewaarborgd blijft.
Het rapport constateert ook een aantal spanningsvelden. Allereerst ziet het onderzoek dat euthanasie door artsen wordt ervaren als een ‘betekenisvol, maar tegelijk moreel en emotioneel belastend en tijdsintensief onderdeel van hun werk, dat als uitzonderlijke medische handeling om een zorgvuldige afweging vraagt’. Dit kan schuren met de verwachtingen van patiënten, die euthanasie soms zien als een recht dat zij kunnen opeisen.
Het rapport signaleert in dat kader ook een toenemende druk op artsen om euthanasie uit te voeren. Volgens het onderzoek kan daarmee ‘een discrepantie ontstaan tussen de tijd en ruimte die artsen nodig hebben voor een zorgvuldige morele en professionele afweging en de verwachtingen van patiënten ten aanzien van de toegankelijkheid van euthanasie’.
De KNMG herkent dit beeld, en benadrukt dat euthanasie geen recht is van de patiënt, en geen plicht van de arts. De vraag: ‘dokter, wilt u mij doden?’ is een van de moeilijkste vragen die een arts kan krijgen. Euthanasie blijft bijzonder medisch handelen dat zich, juist door de ingrijpende en onomkeerbare aard ervan, onderscheidt van reguliere zorg. De KNMG vindt dan ook dat artsen altijd de tijd en ruimte moeten hebben om een eigen professionele afweging te maken en zorgvuldigheid te kunnen betrachten in de uitvoering.
Verder benadrukt de KNMG het belang van een tijdig gesprek rond het levenseinde. In dit gesprek kunnen wederzijdse wensen en verwachtingen worden uitgesproken en kunnen artsen aangeven of zij bereid zijn euthanasie uit te voeren, en zo ja, in welke situatie.
Het onderzoek suggereert dat bezuinigingen en personeelstekorten in de ouderenzorg en de terminale thuiszorg, problemen in de ggz, angst voor tekortschietende zorg, en een negatief beeld van het verpleeghuis, de wens tot euthanasie mogelijk kunnen versterken. De KNMG acht het onwenselijk als dit daadwerkelijk een reden zou zijn voor een euthanasieverzoek. Het is immers van belang dat een euthanasieverzoek daadwerkelijk vrijwillig is, en niet wordt ingegeven door angst voor, of feitelijk tekortschietende zorg. De KNMG onderschrijft dan ook de conclusie van de onderzoekers dat goede en toegankelijke zorg een essentiële voorwaarde is voor een zorgvuldige uitvoering van de euthanasiewetgeving.
Het rapport constateert dat over euthanasie soms ‘romantiserend’ wordt gesproken en dat bij patiënten en hun naasten de kennis over andere vormen van sterven dan door euthanasie soms achterblijft. Ook zou een verzoek om euthanasie soms ontstaan uit onjuiste of onvolledige kennis over (de mogelijkheden rond) het levenseinde.
De KNMG herkent dit beeld. Als er tegenwoordig aandacht is voor de dood, gaat het heel vaak over euthanasie. En in die aandacht wordt euthanasie ook regelmatig als een ‘dappere beslissing’ voorgesteld. Aan de andere kant is er in de media is heel weinig aandacht voor ‘natuurlijk’ overlijden, terwijl de meeste mensen zonder euthanasie sterven.
De KNMG onderschrijft daarom de aanbeveling van de onderzoekers om in voorlichting, onderwijs en richtlijnen steeds ook andere vormen van sterven onder de aandacht te blijven brengen. De KNMG draagt hieraan onder andere bij door het publiceren van standpunten en handreikingen. Daarin wordt uitdrukkelijk aandacht besteed aan de diverse (medische) mogelijkheden rond het levenseinde, zoals pijnbestrijding en andere vormen van palliatieve zorg.
Gezien de aandacht voor dementie in het rapport valt het op dat de ouderengeneeskunde beperkt vertegenwoordigd lijkt te zijn geweest in het onderzoek. Specialisten ouderengeneeskunde hebben echter een steeds grotere rol in de euthanasiepraktijk en hebben veel ervaring met de complexe afwegingen rond dementie, proactieve zorgplanning, wilsbekwaamheid en het lijden van patiënten.
Tegen die achtergrond viel het de KNMG op dat de onderzoekers zelf bij de beperkingen van het onderzoek aangeven dat verdere verdieping van de ontwikkelingen rond euthanasie bij dementie wenselijk kan zijn. De KNMG onderschrijft dat. Juist gezien de beperkte betrokkenheid van de ouderengeneeskunde en de toenemende rol van specialisten ouderengeneeskunde in de euthanasiepraktijk zien wij meerwaarde in nader onderzoek waarin het perspectief vanuit de langdurige zorg nadrukkelijker wordt meegenomen.
Het rapport stelt dat de KNMG-richtlijnen op enkele punten strikter zijn dan de wettelijke ruimte. De KNMG wil dit nuanceren. De wetgever heeft in de euthanasiewet immers bewust open normen gesteld om het aan de beroepsgroep te laten wat zorgvuldig handelen is.
Daarbij dient de beroepsgroep steeds de zorgvuldige afweging te maken tussen de beschermwaardigheid van het leven, de plicht van de arts om ondraaglijk lijden te verlichten of weg te nemen en de zelfbeschikking van de patiënt. Deze afweging leidt tot de professionele invulling van de open normen van de wet.
Voor artsen is het gesprek met de patiënt over gezondheid, ziekte en lijden een centraal onderdeel van hun beroep. Het meewegen van de visie en wensen van patiënten vormt altijd een wezenlijk onderdeel van zorgvuldige besluitvorming rond het levenseinde. De zorgvuldigheid die de beroepsgroep bij euthanasie nastreeft, komt dan ook voort uit professionele en ethische overwegingen rondom goede zorg rond het levenseinde.
In het rapport wordt een aantal aanbevelingen gedaan die specifiek zijn gericht aan de KNMG. Deze betreffen met name het bevorderen van professionele reflectie, het verspreiden van evenwichtige informatie en het verder ontwikkelen van beleid rond specifieke patiëntengroepen. De KNMG zal deze aanbevelingen verder meenemen in haar beleid.
De KNMG hoopt met het bovenstaande een bijdrage te hebben geleverd aan het maatschappelijk gesprek rond het levenseinde. Tot slot wil de KNMG nogmaals haar waardering uitspreken voor het waardevolle en genuanceerde werk van de onderzoekers.
Ben je arts en wil je reageren op dit artikel, stuur dan een mail naar communicatie@fed.knmg.nl
Lees meer nieuws