Behandelingsovereenkomst

Een arts en een patiënt die een behandelrelatie aangaan, sluiten juridisch gezien een ‘behandelingsovereenkomst.’ Een overeenkomst heeft als uitgangspunt dat de betrokken partijen de inhoud ervan vrijelijk kunnen bepalen. Ook hoeft niet alles op schrift te worden gesteld. Dit wordt wel aangeduid met de term contractsvrijheid.

Op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) wordt deze contractsvrijheid voor de arts beperkt. Deze wet kent de patiënt onvervreemdbare rechten toe, dat wil zeggen: rechten die altijd gelden. Afwijkende afspraken zijn alleen rechtsgeldig als die in het voordeel van de patiënt zijn. Voorts kent de WGBO de patiënt rechten toe, die de arts niet heeft. Zo kan een arts niet zomaar een behandelingsovereenkomst beëindigen, terwijl een patiënt dat wel mag.

Een ander belangrijk aspect  van de WGBO betreft de kwaliteit van de zorgverlening. De WGBO benadrukt de eigen verantwoordelijkheid van de hulpverlener voor zijn handelen door hem te verplichten altijd te handelen als goed hulpverlener. Dat kan betekenen dat een arts een verzoek van de patiënt om een bepaald onderzoek of vorm van behandeling moet afwijzen omdat dit onverenigbaar is met de voor een goed hulpverlener geldende professionele standaard.

Er zijn overigens naast de WGBO andere wetten die betrekking hebben op de kwaliteit van de zorgverlening zoals de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Daarnaast hebben de beroepsgroepen diverse kwaliteitsrichtlijnen opgesteld, waaronder het KNMG Kwaliteitskader medische zorg 'Staan voor kwaliteit' (april 2012).

Onderwerpen die deel uitmaken van de WGBO zijn:

De WGBO ondergaat in de nabije toekomst enkele wijzigingen, bijvoorbeeld met betrekking tot de bewaartermijn van medische gegevens en het recht op inzage in medische dossiers door nabestaansen. Naar verwachting stuurt de regering rond januari 2017 een wetsvoorstel hierover naar de Tweede Kamer.

Als de patiënt vrijwillig in een in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, bestaat er tussen de instelling en de patiënt een behandelingsovereenkomst op grond van de WGBO. Een gedwongen verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, psychogeriatrisch verpleeghuis of instelling voor verstandelijk gehandicapten wordt beheerst door de regels van Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). Voor zover de Wet Bopz in deze situatie geen regels stelt is ook hier de WGBO van toepassing. De regels van de WGBO zijn ook van belang bij de zorg aan personen die op grond van een strafrechtelijke titel  zorg krijgen, zoals zorg aan personen die zijn onderworpen aan invrijheidsstelling, een penitentiair programma met zorg of TBS met dwangverpleging, al gelden vanwege de strafrechtelijke context waarbinnen die zorg wordt verstrekt soms afwijkende regels.

KNMG standpunten | richtlijnen | informatie

Praktijkdilemma's

  • Terminale patiënt laten opnemen?

    Vraag van een huisarts

    Bij een 79-jarige patiënt van mij is een gemetastaseerd coloncarcinoom geconstateerd. Hij wil geen behandeling meer; bij eerdere operaties heeft hij veel van zijn conditie moeten inleveren. We hebben afgesproken om alleen nog palliatief te behandelen. Nu ontwikkelt hij acuut een ileus en is niet meer aanspreekbaar. Een operatie kan zijn leven mogelijk enige tijd rekken, anders zal hij op korte termijn overlijden. De dochter dringt aan op een operatie. Moet ik de patiënt laten opnemen?

    Antwoord KNMG Artseninfolijn

    Als de patiënt opname in een ziekenhuis expliciet heeft geweigerd, dan dient u deze weigering te respecteren, ook als de patiënt niet meer aanspreekbaar is. Dit geldt ook als u zelf meent dat een operatie nog medisch zinvol zou zijn. Een behandelweigering is immers geen advies aan de arts, maar een bindend voorschrift. Voorwaarde is wel dat de patiënt goed is voorgelicht over zijn situatie, dat de weigering ondubbelzinnig is en dat de patiënt de consequenties van de behandelweigering goed heeft begrepen. U moet de weigering duidelijk in het dossier aantekenen. Eventueel kan de patiënt een weigering ook vastleggen in een schriftelijke wilsverklaring.

    Om discussies met familieleden in dergelijke crisissituaties te voorkomen, is het van belang dat artsen en patiënten tijdig het gesprek aangaan over het overlijden, bij voorkeur in aanwezigheid van naasten. De naasten worden zo betrokken bij het besluit en zullen dat ook gemakkelijker kunnen accepteren. De KNMG-handreiking 'Tijdig praten over het overlijden' kan bij zo’n gesprek behulpzaam zijn. Een dossieraantekening of een wilsverklaring kan de arts extra zekerheid bieden.

    Medisch zinloos handelen
    Als met de patiënt niets is afgesproken, moet de arts zich afvragen of opname in het ziekenhuis in het belang is van de patiënt. Is een operatie medisch zinvol? Draagt een operatie bij aan de kwaliteit van leven? Draagt deze operatie bij aan de instandhouding of verbetering van de medische conditie van de patiënt? Is er een redelijke verhouding tussen de belasting en het doel van de behandeling? Bij deze vragen gaat het niet om de leeftijd van de patiënt, maar om diens medische toestand voor en na de ingreep, de belasting van de ingreep en op welke termijn de patiënt er baat bij heeft. Bij twijfel kan hierover overlegd worden met de patiënt of de familie. De arts maakt echter altijd een afweging op medisch professionele gronden en kan niet gedwongen worden in te gaan op een verzoek van wie dan ook.

    Overdracht
    Het komt regelmatig voor dat tussen arts en patiënt heldere afspraken zijn gemaakt, maar dat deze afspraken niet goed zijn vastgelegd in het dossier of overgedragen tussen behandelaren. De waarnemer die de patiënt in de ANW-uren ziet, stuurt de patiënt bij twijfel dan toch in, omdat hij de medische situatie van de patiënt niet kent en geen weet heeft van eventuele afspraken. Om dergelijke overbehandeling in de laatste levensfase te voorkomen is het van groot belang dat de arts de afspraken vastlegt in het dossier en deze aan derden, zoals de huisartsenpost, bekend maakt. 

  • Medisch dossier meegeven aan patiënt?

    Casus

    In mijn huisartsenpraktijk heb ik al jaren te maken met een borderline-patiënte. Zij is zeer veeleisend. Het is als huisarts lastig om al haar wensen te honoreren. De verhouding tussen ons is daardoor gespannen. Ze heeft nu besloten een nieuwe huisarts te nemen. Zij komt morgen haar dossier ophalen. Mag ik het originele medisch dossier aan haar meegeven?

    Antwoord

    De KNMG adviseert het originele dossier rechtstreeks over te dragen aan de nieuwe huisarts. Dus zonder tussenkomst van de patiënte. Het medisch dossier is een belangrijk document om de continuïteit van de zorg te waarborgen en de kwaliteit van de geleverde zorg te kunnen beoordelen. U moet er dus zorgvuldig mee omgaan. Ook als u het document, met het oog op continuïteit van zorg, overdraagt aan een andere huisarts. Wel kunt u een kopie van het dossier aan de patiënt meegeven. Het originele dossier kunt u bij voorkeur persoonlijk of via (aangetekende) post overdragen aan de nieuwe huisarts.

    Toelichting

    Als huisarts bent u verplicht om een dossier bij te houden en te bewaren. Die plicht eindigt niet als de behandelrelatie eindigt. Als uw patiënt overstapt naar een andere huisarts is het gebruikelijk dat u het medisch dossier met toestemming van de patiënt overdraagt aan de nieuwe huisarts. U draagt dan ook de wettelijke bewaarplicht over. Voor een zorgvuldige overdracht van die bewaarplicht is het belangrijk dat dit rechtstreeks aan de nieuwe huisarts plaatsvindt. Dus liefst zonder tussenkomst van de patiënt. Dit kan door het dossier zelf te overhandigen, of door het (aangetekend) of digitaal te versturen.  

    Beter niet met de patiënt meegeven

    De KNMG adviseert huisartsen om het originele dossier niet aan de patiënt mee te geven. Het is dan namelijk niet zeker of het dossier (geheel) aankomt bij de nieuwe huisarts. Het is overigens niet verplicht om een heel dossier over te dragen. Soms wil een patiënt eerst delen uit het dossier vernietigen. Zo’n verzoek kan de patiënt het beste schriftelijk doen vóór het moment van overdracht. De huisarts kan dan altijd aantonen waarom hij geen (volledig) dossier meer heeft of het niet volledig heeft overgedragen.

    KNMG advies overdracht patiëntendossier

    In 2008 heeft de KNMG een geactualiseerd advies uitgebracht over de overdracht van patiëntendossier bij verandering van huisarts. Daarin staat uitvoerig beschreven hoe een huisarts een medisch dossier het beste kan overdragen.

    Uw rechten

    De KNMG gaat in dat advies ook in op de rechten die u als arts heeft na overdracht van het patiëntendossier. Dit kan belangrijk zijn als de patiënt later een klacht tegen u indient. U mag dan gegevens die u destijds heeft aangelegd, gebruiken om verweer te voeren. De expliciete toestemming van de patiënt is daarvoor niet nodig.  

  • Patiënt verandert van huisarts. Zijn er richtlijnen voor het overdragen van een huisartsendossier?

    Toelichting

    In de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) is geregeld dat een arts een dossier bijhoudt waarin gegevens over de patiënt worden opgenomen. De plicht tot bewaring van een dossier eindigt niet (automatisch) bij het einde van de behandelingsrelatie / -overeenkomst. De bewaartermijn voor medische dossiers (ook die van overleden patiënten) bedraagt vijftien jaar, te rekenen vanaf het moment dat de gegevens zijn opgesteld. In de praktijk wordt gerekend vanaf het einde van de behandeling. Als algemene regel geldt dat alle patiëntendossiers tenminste tot 2010 bewaard moeten worden, ook als ze op dat moment ouder zijn dan vijftien jaar. 

    Situaties

    Twee redenen voor wisseling van huisarts kunnen worden onderscheiden:

    1. De patiënt kiest een nieuwe huisarts

    Zie hiervoor KNMG 'Advies voor overdracht patiëntendossier bij verandering van huisarts, een actualisering'

    De hoofdregel van dit advies is dat de oude huisarts het dossier van de patiënt met diens toestemming zonder tussenkomst van de patiënt en bij voorkeur persoonlijk of via aangetekende post overdraagt aan de nieuwe huisarts.

    • De huisarts legt een dossier van de patiënt aan met alle in het kader van de gezondheid en voor de behandeling relevante gegevens. Het dossier wordt bewaard tot 15 jaar na het beëindigen van de behandelrelatie of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit. Alleen een vernietigingsverzoek van de patiënt dat gehonoreerd wordt bekort deze termijn (zie punt 2 van het advies).
    • Als de patiënt een nieuwe huisarts heeft, draagt de oude huisarts (delen van) het dossier met toestemming van de patiënt aan de nieuwe huisarts over. De huisarts draagt het dossier over zonder tussenkomst van de patiënt en bij voorkeur persoonlijk of via aangetekende post (zie 3). De oude huisarts maakt van de overdracht van het dossier een aantekening met zo mogelijk de naam van de opvolger en de datum van de overdracht.
    • Het originele dossier wordt niet aan de patiënt meegegeven; de patiënt kan eventueel wel vragen om een afschrift van het dossier (zie 2).
    • Is de nieuwe huisarts nog niet bekend of wenst de patiënt de naam (en het adres) van de nieuwe huisarts niet prijs te geven, dan bewaart de oude huisarts het dossier tot het moment dat de nieuwe huisarts bekend is of totdat de nieuwe huisarts de patiënt alsnog bewogen heeft het dossier door hem te laten overdragen (zie 5).
    • Geeft de patiënt geen toestemming voor de overdracht, dan bewaart de oude huisarts het dossier in beginsel tot 15 jaar na het beëindigen van de behandelingsovereenkomst (laatste bezoek aan of van de huisarts) of zoveel langer als redelijkerwijs noodzakelijk is. Hij informeert de patiënt over de mogelijke nadelige gevolgen voor de continuïteit van zorg van ´meerdere dossiers´ bij twee verschillende huisartsen. (zie 6).
    • In zeer uitzonderlijke situaties kan de arts besluiten om bepaalde gegevens toch aan de nieuwe huisarts te verstrekken. Het moet dan gaan om situaties waarbij er concreet gevaar of schade voor de gezondheid van de patiënt of het gezin bestaat en er aan de criteria voor een 'conflict van plichten' wordt voldaan (zie 6).
    • Indien het Landelijk schakelpunt (LSP) gebruikt wordt, zal de oude huisarts na overdracht van het dossier de gegevens daar moeten afmelden. De nieuwe huisarts meldt ze in dat geval aan (zie 9).

    2. De huisarts draagt de praktijk over aan een andere arts

    Wanneer een (huis)arts de praktijk overdraagt aan een andere (huis)arts, zal voor de overdracht van de medische gegevens in principe de toestemming van de patiënten noodzakelijk zijn. Het zal echter veelal om praktische redenen niet mogelijk zijn iedere patiënt hierover persoonlijk te benaderen. Daarom zal in een dergelijk geval volstaan mogen worden met het toepassen van het geen bezwaarsysteem. Het plaatsen van advertenties in regionale kranten of een maatregel van gelijke strekking, zoals een gezamenlijke brief van beide artsen aan de patiënten, met daarin opgenomen een termijn waarbinnen patiënten eventueel hun bezwaar kenbaar kunnen maken, is daartoe noodzakelijk.

    Zie voor meer informatie over bovenstaande situatie de publicatie 'Overdracht van patiëntendossiers na ontstentenis van de arts zonder opvolging'.



  • Mag een arts of zorginstelling de behandelingsovereenkomst met de patiënt opzeggen?

    Antwoord

    Volgens artikel 460 van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) kan een hulpverlener (arts of bijvoorbeeld zorginstelling), behoudens gewichtige redenen, de behandelingsovereenkomst niet opzeggen.

    Gewichtige redenen

    Met andere woorden, de behandelingsovereenkomst kan wél opgezegd worden wanneer er ‘gewichtige redenen’ zijn. In de wet is niet verder uitgewerkt wanneer gesproken kan worden van gewichtige redenen. In de parlementaire geschiedenis van de WGBO en in jurisprudentie wordt in zekere mate een nadere invulling van het begrip gegeven. Over het algemeen wordt niet snel aangenomen dat er sprake is van gewichtige redenen. Dit heeft te maken met de afhankelijke positie die de patiënt ten opzichte van de arts en zorginstelling inneemt, maar ook omdat een onmiddellijke opzegging van de overeenkomst het belang van de gezondheid van de patiënt kan schaden. Hieruit vloeit voort dat er bijzondere zorgvuldigheidsvereisten gelden voordat de arts tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst kan besluiten. Er zijn verschillende manieren waarop een behandelingsovereenkomst kan worden beëindigd:

    • beëindiging door de arts;
    • beëindiging
      door de instelling waar de patiënt is opgenomen; de binnen de
      instelling werkzame arts(en) zullen daarbij ook betrokken zijn en binnen
      hun eigen marges zorgvuldig moeten handelen;
    • beëindiging door de patiënt;
    • beëindiging op gezamenlijk verzoek.

    Naast deze situaties zijn er situaties te onderscheiden waarin een arts of instelling besluit geen behandelingsovereenkomst aan te gaan. In dit stuk wordt op die situatie niet verder ingegaan.

    Situaties

    Hieronder volgt een aantal (algemene) voorbeelden van situaties waarin een arts of zorginstelling kan besluiten de behandelingsovereenkomst op te zeggen. In individuele gevallen zal de arts of zorginstelling op grond van de specifieke omstandigheden moeten afwegen om te besluiten tot het al dan niet beëindigen van de overeenkomst. In de Richtlijn ‘Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’, te vinden op de website van de KNMG via www.knmg.nl/publicaties, treft u een volledig overzicht van de diverse situaties en de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheidseisen aan. In deze richtlijn wordt tevens aangegeven in welke gevallen een arts kan besluiten geen behandelingsovereenkomst met de patiënt aan te gaan.

    Als variant op het opzeggen van de behandelingsovereenkomst wordt sinds enige jaren in het kader van het Project VeiligeZorg in een aantal ziekenhuizen en huisartsenpraktijken een veiligheidsbeleid gevoerd aan de hand van het zogenaamde ´gele en rode kaarten´ beleid. Dit gebeurt in samenwerking met politie en het openbaar ministerie. De gele kaart geldt als een officiële waarschuwing. Met de rode kaart kan het ziekenhuis de patiënt of bezoeker de toegang gedurende drie tot zes maanden ontzeggen (schorsen van de behandelingsovereenkomst), met uitzondering van het bieden van spoedeisende of acute hulp. De rode kaart kan direct uitgedeeld worden in zeer ernstige situaties.

    • Grond voor beëindiging voor de arts kan ook zijn, dat de patiënt opzettelijk geen informatie of medewerking wil geven (of achterhoudt), terwijl dat wel in zijn vermogen ligt en voor goede hulpverlening noodzakelijk is. Het niet verstrekken van die informatie moet dan ernstige consequenties hebben. Zo zal het bewust herhaald niet gebruiken van voorgeschreven medicatie, terwijl dit wel geïndiceerd en duidelijk afgesproken is met de patiënt, uiteindelijk een reden kunnen zijn de behandelingsovereenkomst te beëindigen.
    • Frequente weigering van de patiënt de nota’s te betalen kan reden zijn voor eenzijdige beëindiging. Een enkele weigering is in het algemeen onvoldoende reden.
    • De omstandigheid dat de arts persoonlijke gevoelens voor een patiënt heeft opgevat die dusdanig zijn dat ze een goede hulpverlening belemmert.
    • Door toedoen van naasten van de patiënt kunnen ernstige spanningen met de hulpverleners binnen de zorginstelling ontstaan, waardoor voortzetting van zorgvuldige behandeling en verzorging van de patiënt ernstig wordt bemoeilijkt. Omdat het niet om het gedrag van de patiënt zelf maar om dat van diens naasten gaat, zal de zorginstelling in deze situatie extra zorgvuldig te werk moeten gaan bij het beëindigen van de behandelingsovereenkomst.
    • Een andere grond voor beëindiging door de zorginstelling kan zijn dat om organisatorische, personele of budgettaire redenen of vanwege de zorgbehoefte van de patiënt niet langer verantwoorde zorg kan worden gegarandeerd. Het gaat hier derhalve om situaties waarin de instelling om geheel andere dan om medische redenen de overeenkomst met de patiënt wil beëindigen. De individuele professionele verantwoordelijkheid van de arts om al dan niet met het instellingsbesluit mee te gaan, vraagt daarom om een heldere motivatie.
    • Het is mogelijk dat in de loop van de behandeling de indicatie voor opname van de patiënt wijzigt of komt te vervallen waardoor langere bezetting van een bed of plaats binnen de instelling niet juist is. Dit kan grond zijn voor beëindiging van de behandelingsovereenkomst.
    • Arts of zorginstelling en patiënt kunnen tenslotte ook gezamenlijk besluiten de overeenkomst te beëindigen. Bijvoorbeeld omdat de arts/instelling en de patiënt gezamenlijk tot de conclusie komen dat de behandeling beter elders kan worden voortgezet.

    Zorgvuldigheidseisen

    Doet een van de hiervoor aangegeven situaties zich voor dan kan de arts of zorginstelling, tenzij de situatie heel acuut en ernstig is, niet direct de behandelingsovereenkomst opzeggen. Eerst zal aan een aantal bij de specifieke situatie behorende zorgvuldigheidseisen voldaan moeten worden. Voldoet de arts of instelling hier niet aan, dan bestaat de kans dat de (tucht)rechter oordeelt dat niet voldoende zorgvuldig is gehandeld. Aan de volgende zorgvuldigheidseisen moet bijvoorbeeld worden gedacht:

    • Als de arts met vermelding van redenen besluit de overeenkomst op te zeggen (waarvan een schriftelijke bevestiging aan de patiënt), neemt hij daarbij een redelijke termijn in acht. Welke termijn redelijk is, hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. In het algemeen zijn van belang: de ernst van de (medische) situatie van de patiënt en daarmee de afhankelijkheid van de zorg; de aard en duur van de arts-patiënt relatie; de aard van de instelling waar de patiënt verblijft en de duur van het verblijf; de termijn die nodig is om een aanvaardbaar alternatief van zorg (andere arts of instelling) te vinden. Beëindiging of ontslag uit de instelling met onmiddellijke ingang is alleen geoorloofd als sprake is van zeer dringende redenen, bijvoorbeeld bij uiterst agressief gedrag.
    • De arts zet medisch noodzakelijke hulp voort of zorgt – zonodig in overleg met andere betrokken artsen, de instelling waar de patiënt verblijft of de zorgverzekeraar – voor hulp door een andere arts of hulpverlener, en wel totdat de patiënt een nieuwe arts heeft gevonden. De arts werkt zoveel mogelijk mee aan het zoeken naar een alternatief voor de zorg.
    • De patiënt met wie de behandelingsovereenkomst wordt beëindigd op grond van organisatorische of budgettaire redenen moet voldoende gelegenheid geboden worden om een alternatieve oplossing te vinden. Dat geldt ook voor beëindiging op grond van ernstige conflicten met de familie. Het al dan niet voorhanden zijn van een passend redelijk alternatief  voor hulp buiten de instelling op aanvaardbare termijn is bepalend voor de opzeggingstermijn. De instelling en arts moeten meewerken bij het zoeken van alternatieve zorg elders. Tot die tijd moet de instelling zorgdragen voor continuïteit in de hulpverlening aan de patiënt.
    • Bij ernstige meningsverschillen over het gedrag van de patiënt of over de wijze waarop de patiënt de behandelingsovereenkomst naleeft, is het van belang dat de arts of instelling herhaaldelijk heeft aangedrongen op verandering. Daarover worden schriftelijke afspraken en een aantekening in het dossier gemaakt. De arts of instelling waarschuwt de patiënt dat als het gedrag niet verandert of de plichten niet worden nageleefd, de behandelingsovereenkomst wordt beëindigd.
    • Eventueel reeds ontvangen patiëntengegevens verstrekt de arts of instelling desgevraagd na verkregen toestemming van de patiënt aan een andere behandelaar.
  • Heeft een patiënt recht op verwijzing voor een second opinion?

    Antwoord

    Een patiënt is altijd gerechtigd een second opinion direct aan een tweede arts te vragen. Vraagt de patiënt zijn behandelend arts een verwijzing naar een tweede arts, dan moet de behandelend arts hieraan meewerken, tenzij hij zwaarwegende redenen heeft dit niet te doen.

    Toelichting

    Onder een second opinion wordt hier verstaan:
    ‘een door de patiënt gevraagd advies aan een arts anders dan aan de behandelend/ onderzoekend
    arts over (een deel van) de gezondheidstoestand van de patiënt.’

    Modelregeling

    In de Modelregeling arts-patiënt staat dat de patiënt te allen tijde gerechtigd is een second opinion bij een andere hulpverlener in te winnen (artikel 38). Heeft een patiënt een andere arts benaderd, dan zal hij indien dit redelijkerwijs mogelijk is, zijn behandelend arts hierover en over de eventuele uitkomst, tijdig informeren.

    Gedragsregels artsen

    In de Gedragregels voor artsen van de KNMG staat dat de arts die een verzoek krijgt voor een verwijzing ten behoeve van een second opinion dit moet honoreren, tenzij hij daartegen zwaarwegende argumenten heeft die hij gemotiveerd kenbaar maakt. Zwaarwegende argumenten kunnen onder andere zijn situaties waarbij de patiënt meerdere malen voor dezelfde problematiek een second opinion aanvraagt. Het is niet de bedoeling dat patiënten eindeloos bij verschillende artsen het oordeel van hun behandelend arts laten toetsten. Dit leidt slechts tot verwarring en draagt niet bij aan de kwaliteit van zorg.

    Keuze patiënt

    De patiënt mag voor een second opinion zelf een arts uitzoeken maar kan ook zijn (behandelend) arts vragen hem hierbij te helpen. De huisarts kan een spilfunctie bekleden in het geval een second opinion aangevraagd wordt door een tweedelijns arts. Het is echter goed mogelijk dat een specialist direct doorverwijst naar een andere specialist voor een second opinion zonder de tussenkomst van de huisarts. De huisarts moet in die gevallen niet op de hoogte te worden gesteld van de uitslag van de second opinion, het is echter wel wenselijk de huisarts van de uitslag op de hoogte wordt gesteld.

    Bekwaamheid

    De arts die benaderd wordt voor een second opinion moet zich bekwaam achten dit te doen. Hij moet een zo objectief mogelijk beeld van de patiënt krijgen. Is hij daartoe niet is staat, of mist hij de hiervoor benodigde deskundigheid, dan kan hij het verzoek weigeren.

Delen via

Terug naar boven Stel uw vraag!