PDF

Delen via

Na overlijden

Als de patiënt is overleden, heb je als arts de taak om het lichaam te schouwen. Ben je niet overtuigd van een natuurlijke doodsoorzaak, dan moet je specifieke stappen ondernemen. Op deze pagina vind je daar de richtlijnen voor. Ook vind je hier een webdossier over orgaandonatie, met onder meer het standpunt van de KNMG over de nieuwe donorwet die op 1 juli 2020 is ingegaan.

Dossiers

Onderstaande dossierpagina’s bevatten gedetailleerde informatie over dit onderwerp.

KNMG-publicaties

Praktijkdilemma's

  • Wat als nabestaanden aandringen op verklaring van natuurlijke dood, terwijl patiënt door zelfdoding is gestorven?

    Casus

    De zoon van mijn patiënt belt op met de boodschap dat zijn vader, een man van 74 jaar, zojuist onverwacht is overleden. Hij vraagt of ik langs wil komen om de dood vast te stellen. Ik check voor vertrek de status en zie dat hij nog redelijk vitaal was. Als ik in de woning aankom, tref ik daar de voltallige familie aan. Het valt me op dat iedereen tamelijk rustig is, terwijl ik meestal een geëmotioneerde familie aantref in dit soort situaties. Zeker als het overlijden onverwacht is. Ik vraag wat er gebeurd is en de zoon vertelt dat zijn vader is overleden door het innemen van barbituraten die hij via het internet heeft besteld. De familie dringt er bij mij op aan om niet de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen, omdat zij niet willen dat de politie er bij wordt gehaald.  

    Wat moet ik doen als nabestaanden aandringen om een verklaring van natuurlijke dood af te geven, terwijl de patiënt door zelfdoding is gestorven?

    Antwoord

    Als iemand een eind aan het eigen leven heeft gemaakt, is sprake van een niet-natuurlijke dood en moet altijd de gemeentelijk lijkschouwer ingeschakeld worden. Aarzel nooit om dit te doen. Het afgeven van een verklaring van natuurlijk overlijden is strafbaar als u niet overtuigd bent van een natuurlijke doodsoorzaak (artikel 81 onder 1 Wet op de lijkbezorging).

    Toelichting

    Via internet kunnen mensen dodelijke middelen bestellen en het komt voor dat zij daarmee zelf de regie nemen over het eigen sterven. Die middelen laten niet altijd duidelijke sporen achter. Bij een dergelijk, zelf geregisseerd overlijden is sprake van een niet-natuurlijke dood, die ook als zodanig gemeld moet worden.

    Bij een overlijden moet er altijd een lijkschouw plaatsvinden. Volgens de wet mogen twee personen dat doen: een behandelend arts (dit is ook de waarnemer van de behandelend arts, of een arts die dienst heeft bij een huisartsenpost) of een gemeentelijk lijkschouwer (forensisch arts). De behandelend arts die een schouw pleegt, moet er van overtuigd zijn dat de dood is ingetreden door een natuurlijke oorzaak als hij een verklaring van overlijden schrijft (artikel 7 lid 1 Wlb). Bij ook maar de geringste twijfel daaraan moet de behandelend arts onmiddellijk de gemeentelijk lijkschouwer informeren. Die zal dan meteen komen en eventueel de politie meenemen.

    Nabestaanden willen echter soms niet dat de gemeentelijk lijkschouwer en de politie komen om de zaak te onderzoeken. Zij kunnen de behandelend arts die de schouw pleegt dan onder druk zetten om een verklaring van natuurlijk overlijden af te geven. Vooral als het om de eigen huisarts gaat, die de familie kent, kan dit tot spanning leiden. Hoe moeilijk ook, werk hier nooit aan mee. U kunt zeggen dat u snapt dat de familie het vervelend vindt dat u de gemeentelijk lijkschouwer vraagt om te komen, maar dat het nu eenmaal de regels zijn waaraan u zich te houden hebt. Het is voor de gemeentelijk lijkschouwer, die geen band met de familie heeft, makkelijker om tegen de familie te zeggen wat vervolgens moet gebeuren en waarom.

    Zie ook

  • Moet ik ingaan op het verzoek van een verzekeraar om informatie over een overleden patiënt?

    Casus

    Een levensverzekeraar vermoedt dat één van mijn patiënten fraude heeft gepleegd. Hij zou kort voor zijn overlijden een hoge levensverzekering hebben afgesloten en daarbij hebben aangegeven dat hij in goede gezondheid verkeerde. Nu vraagt de levensverzekeraar aan mij, als voormalig behandelend arts, of dit klopt. Moet ik de verzekeraar informatie over deze patiënt geven?

    Advies

    Dat hangt af van de status van de beoordeling door de verzekeraar. U hoeft pas informatie over de doodsoorzaak te verstrekken nádat de verzekeraar heeft besloten om al dan niet tot uitkering over te gaan.

    Toelichting

    In de KNMG-richtlijn Omgaan met medische gegevens is opgenomen dat artsen informatie over de doodsoorzaak van een patiënt alleen voor statistische doeleinden aan verzekeringsmaatschappijen verstrekken. Dit voorkomt dat de verzekeraar de informatie gebruikt bij het beoordelen of er wel of geen recht is op uitkering. Is dat (nog) onduidelijk, dan luidt het advies om pas informatie over de doodsoorzaak te verstrekken nadat het besluit is genomen om wel of niet uit te keren.

    Toetsingscommissie

    Levensverzekeraars kunnen vermoedens van fraude voorleggen aan de Toetsingscommissie Gezondheidsgegevens Het gaat over verzekeringsfraude waarbij de verzekerde, bij het afsluiten van een levensverzekering, bekende en relevante informatie over zijn gezondheid heeft verzwegen. De toetsingscommissie Gezondheidsgegevens onderzoekt alle gevallen van overlijden die plaatsvinden binnen twee jaar na het afsluiten of wijzigen van een levensverzekering, als de levensverzekeraar concrete aanwijzingen heeft voor fraude. De toetsingscommissie kan ook onderzoek doen naar gevallen van overlijden langer dan twee jaar na afsluiting of wijziging van een levensverzekering, maar dan gelden zwaardere criteria.

    Verzoek Toetsingscommissie Gezondheidsgegevens

    Zijn er volgens de toetsingscommissie inderdaad aanwijzingen voor fraude, dan vraagt de arts in de commissie informatie op bij de behandelend arts. Het gaat dan om informatie over de gezondheidstoestand van de patiënt bij het afsluiten of wijzigen van de levensverzekering. Deze gegevens zijn relevant voor de risico-inschatting door de verzekeraar. De KNMG adviseert artsen om te voldoen aan het verzoek van de arts uit de Toetsingscommissie. Als u arts bent u hiertoe echter niet verplicht. Als arts heeft u geen plicht tot doorbreking van uw geheimhouding en mag weigeren om de informatie te verstrekken.

  • Lijkschouwer inschakelen bij natuurlijke dood minderjarige

    Casus

    Recent is in ons ziekenhuis een tweejarig meisje overleden. Ze werd al enige tijd bij ons behandeld in verband met leukemie. Het overlijden was, hoe treurig ook, niet meer af te wenden. Omdat ik gezien haar ziekteverloop volledig overtuigd was van een natuurlijke doodsoorzaak, heb ik een verklaring van overlijden afgegeven. Maar nu wordt op het formulier dat ik moet invullen gevraagd met welke gemeentelijke lijkschouwer ik overleg heb gehad. Overleggen met de gemeentelijke lijkschouwer moet toch alleen bij een niet-natuurlijk overlijden?

    Antwoord

    Bij het overlijden van een minderjarige moet de behandelend arts altijd direct na de schouw contact opnemen met de gemeentelijke lijkschouwer. Pas na dat contact, en als de behandelend arts gelet op het ziekteverloop overtuigd is van een natuurlijke dood, mag de arts een verklaring van (natuurlijk) overlijden afgeven.

    Achtergrond

    Nadat iemand is overleden moet altijd zo spoedig mogelijk een lijkschouw worden verricht. In principe gebeurt dat door de behandelend arts of zijn waarnemer. Het doel van de lijkschouw is de aard van het overlijden vast te stellen. Als de behandelend arts overtuigd is van een natuurlijk overlijden geeft hij een verklaring van overlijden af. Is hij niet overtuigd, dan schakelt hij de gemeentelijke lijkschouwer in (ook wel forensisch arts genoemd).

    Verplicht overleg met lijkschouwer  bij overlijden minderjarige 

    Als het om het overlijden van een minderjarige gaat (tot en met 18 jaar) moet de behandelend arts altijd contact opnemen met de gemeentelijke lijkschouwer, ook als het om een natuurlijk overlijden gaat. Op de verklaring van overlijden moet de arts invullen met welke gemeentelijke lijkschouwer hij contact heeft opgenomen. De formulieren zijn daartoe aangepast. Deze plicht geldt niet als het gaat om kinderen die na een zwangerschapsduur van minder dan 24 weken binnen 24 uur na de geboorte zijn overleden.

    Het overleg is bedoeld om de lijkschouwer te informeren over het feit dat een minderjarige is overleden. De behandelend arts kan in dat gesprek aangeven op welke gronden hij tot zijn overtuiging van een natuurlijke dood is gekomen en desgewenst kan hij zijn overtuiging toetsen.   

    Indien de behandelend arts na het overleg de overtuiging heeft dat het, gelet op de voorliggende ziektegeschiedenis, een natuurlijk overlijden betreft, dan geeft hij de verklaring van overlijden af. Het blijft altijd de eigen beslissing van de behandelend arts om een verklaring van overlijden af te geven. Zijn er aanwijzingen voor een niet-natuurlijke dood, dan neemt de gemeentelijke lijkschouwer de procedure over. 

  • Hoe is het invullen van het A- en B-formulier tijdens waarneming geregeld?

    Casus

    Een geëmotioneerde vrouw belt op zondagochtend naar de huisartsenpost (HAP). Haar man is in de nacht van zaterdag op zondag in zijn slaap overleden. De dienstdoende huisarts van de HAP komt ter plaatse. Na schouwing is voor hem duidelijk dat de man door een hartinfarct is overleden. Uit het HAP-dossier blijkt ook dat de man al geruime tijd bekend was met hartfalen. De huisarts van de HAP is niet de eigen huisarts van de patiënt. Mag deze huisarts wel een verklaring van overlijden afgeven? En als hij dat doet moet hij dan ook het B-formulier invullen?

    Antwoord

    Als een waarnemer overtuigd is van een natuurlijke dood van een patiënt, dan mag hij een verklaring van overlijden afgeven. Die verklaring geeft hij af door het zogenaamde A-formulier in te vullen. Als hij dat doet, moet hij ook het B-formulier ten behoeve van de statistiek invullen. 

    Toelichting

    Als iemand gestorven is moet er altijd een lijkschouwing plaatsvinden. Volgens de wet mag een behandelend arts of een gemeentelijk lijkschouwer (forensisch arts) dit doen. Het begrip 'behandelend arts' kan in het kader van de lijkschouw ruim worden opgevat. Daaronder valt de arts die voor de eigen huisarts waarneemt, maar ook de arts die dienst heeft bij een huisartsenpost. Het is niet noodzakelijk dat de arts bij het overlijden aanwezig was. Wel moet hij overtuigd zijn van het intreden van de dood als gevolg van een natuurlijke doodsoorzaak. Daarbij is het vaak noodzakelijk dat hij beschikt over de medische voorgeschiedenis van de patiënt. Is de waarnemer niet overtuigd van een natuurlijke dood? Dan mag hij geen verklaring van overlijden afgeven en moet hij direct de gemeentelijk lijkschouwer inschakelen.

    Invullen A- en B-formulier

    Als de waarnemer overtuigd is van een natuurlijke dood, is het zijn taak een verklaring van overlijden afgeven. De inhoud van die verklaring is wettelijk bepaald en wordt ook wel het A-formulier genoemd. De arts die dit A-formulier invult moet ook de verklaring voor de statistiek invullen. Dat formulier wordt ook wel het B-formulier genoemd. Zo nodig mag de arts voor het invullen van het B-formulier informatie inwinnen bij de eigen huisarts van de patiënt. Is dit niet mogelijk en kan de waarnemer daardoor het B-formulier niet invullen? Dan mag de arts formeel ook de A-verklaring niet afgeven en moet hij een gemeentelijk lijkschouwer inschakelen.

    Waar verkrijgbaar?

    De A- en B-formulieren zijn gratis verkrijgbaar via de gemeente (afdeling Publiekszaken).

  • Mogen nabestaanden het obductieverslag inzien?

    Casus

    Nabestaanden geven toestemming voor obductie bij een onverwacht overleden familielid. Mag de arts hen nu een kopie van het obductieverslag overhandigen?

    Huisarts vertelt: de 63-jarige moeder van Nico is recent onverwacht overleden. Hij vond haar dood in haar stoel. Er stond nog een vol kopje koffie voor haar op tafel. Moeder was zelden ziek en zowel Nico als ik zouden graag willen weten wat de doodsoorzaak nu eigenlijk was. Nico heeft daarom toestemming voor obductie gegeven.

    Inmiddels is het obductieverslag binnen en Nico heeft daar al verschillende malen naar gevraagd. Hij wil een kopie ontvangen om alles thuis nog eens, met een arts binnen de familie, door te kunnen nemen. Bovendien, zo meent hij, heeft hij recht op een afschrift omdat hij ook de toestemming voor de obductie heeft gegeven. De patholoog-anatoom heeft bij de obductie geen bijzondere medische feiten (zoals bijvoorbeeld een vergrote lever wegens alcoholmisbruik) gevonden. Moeder is waarschijnlijk aan de gevolgen van een hartinfarct overleden. Mag ik Nico een kopie overhandigen?

    Antwoord

    Het lichaam van een overledene kan in een aantal gevallen aan obductie (sectie, autopsie) worden onderworpen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een medische obductie en een gerechtelijke obductie. De basis voor dit onderscheid is gelegen in het verschil in de rechtsgrond waarop de obductie wordt uitgevoerd en het verschil in doelstelling. Bij een medische obductie is die rechtsgrond de toestemming van de overledene zelf of van diens nabestaande. Het doel is voornamelijk het vaststellen of verhelderen van de doodsoorzaak. Bij een gerechtelijke obductie is de rechtsgrond het bevel van een gerechtelijke autoriteit. Het doel hier kan bijvoorbeeld zijn het verzamelen van bewijsmateriaal tegen een verdachte.

    Beroepsgeheim

    Veel nabestaanden veronderstellen dat zij recht hebben op de uitkomst van een medische obductie omdat zij voor die obductie toestemming hebben verleend. Hier ontstaat een zeker spanningsveld. Het beroepsgeheim van de arts staat het volledig informeren van die nabestaanden in beginsel in de weg. Er is namelijk geen wettelijke bepaling die informeren van de nabestaanden mogelijk maakt. Het verstrekken van een kopie van het obductierapport is juridisch nog problematischer; dat rapport kan ook gegevens bevatten die voor de beantwoording van de vraag van de nabestaande relevant is.

    Uitkomsten op hoofdlijnen bespreken

    Het advies van de KNMG aan artsen is om wel de uitkomsten van de obductie op hoofdlijnen met de nabestaanden te bespreken. Artsen moeten namelijk ook rekening houden met de belangen van nabestaanden. Het informeren van de nabestaanden over de uitkomsten is, naar algemeen wordt aangenomen, veelal ook wat de overledene zelf zou hebben gewild (veronderstelde toestemming).

    Inzage: terughoudendheid

    Ten aanzien van het verlenen van inzage in of een afschrift van het gehele obductierapport bepleit de KNMG echter terughoudendheid. Vaak ontbreekt een belang van de nabestaanden bij kennisneming van alle details van het obductierapport. Nabestaanden willen bovendien doorgaans alleen weten wat de oorzaak van het overlijden was en of dit gevolgen heeft voor henzelf (bijvoorbeeld bij een erfelijke ziekte). Vanwege het ontbreken van belang valt het verlenen van inzage in of een afschrift van het rapport daarom moeilijk te rechtvaardigen. Dit is slechts anders als uit de medische obductie informatie voortvloeit die van direct belang is voor de gezondheid van de nabestaanden. Doorbreking van het beroepsgeheim kan dan met een beroep op het conflict van plichten.

PDF

Delen via

Terug naar boven
Uw browser wordt niet ondersteund. Sommige functies van deze site werken mogelijk niet correct. Wij adviseren u een andere browser te gebruiken.
Akkoord Cookie instellingen aanpassen

KNMG.nl maakt gebruik van cookies voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik, tonen van multimedia en voor de inschrijfmogelijkheid voor onze mailings. Door verder gebruik te maken van deze website gaat u hiermee akkoord. U kunt uw toestemming altijd intrekken via 'Cookie instellingen aanpassen'. Voor meer informatie over cookies zie onze privacyverklaring.