De RGS start een vooronderzoek wanneer zij signalen ontvangt dat niet aan het Kaderbesluit CGS wordt voldaan, bijvoorbeeld omdat de kwaliteit of veiligheid van de opleiding of het opleidingsklimaat tekortschiet. Deze signalen kunnen bijvoorbeeld tijdens een evaluatiebezoek of op basis van een (periodieke) rapportage naar voren komen. In het vooronderzoek brengt de RGS de signalen in kaart en verzamelt gerichte informatie. Het doel hiervan is te bepalen of de opleidingsorganisatie voldoet aan de erkenningseisen en de kwaliteit of veiligheid van de opleiding of het opleidingsklimaat in het geding zijn. Op basis hiervan beoordeelt de RGS of er aanleiding is om het toezicht op te schalen.

Een vooronderzoek leidt niet noodzakelijkerwijs tot intensief toezicht; de RGS kan ook besluiten om het regulier toezicht voort te zetten. Het instellen van intensief toezicht heeft geen directe gevolgen voor de status van de lopende erkenning. De erkenning blijft in eerste instantie ongewijzigd. Echter, als uit het intensieve toezicht blijkt dat er tekortkomingen zijn, kan dit uiteindelijk wel leiden tot een aanpassing van de status van de lopende erkenning.

Het vooronderzoek bestaat doorgaans uit gesprekken met betrokkenen uit de opleidingsorganisatie en het doornemen van schriftelijke informatie over de opleidingsorganisatie. Deze informatie kan al bij de RGS aanwezig zijn (zoals eerdere visitatie- en/of evaluatieverslagen, rapportages n.a.v. adviezen of periodieke rapportages) of kan bij de opleidingsorganisatie worden opgevraagd.