Tuchtrecht

Artsen en anderen die staan ingeschreven in het BIG-register vallen onder het wettelijk tuchtrecht. Het tuchtrecht is bedoeld om de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bewaken. De tuchtrechter kan – anders dan de klachtencommissie - maatregelen treffen tegen een individuele beroepsbeoefenaar. Een tuchtcollege bestaat uit juristen en lid-beroepsgenoten. De lid-geneeskundigen worden op voordracht van de KNMG benoemd.

Meestal wordt een klacht ingediend door een patiënt of diens naaste familie. Ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg dient jaarlijks een aantal klachten in. Na indiening van een klacht volgt eerst een schriftelijk vooronderzoek naar de klacht. Een groot deel van de klachten wordt na het schriftelijk vooronderzoek afgerond met een zogenaamde raadkamerbeslissing.

In zo’n 35 procent van de klachtzaken wordt een zitting bepaald. Van de klachten, die op een zitting worden behandeld, verklaart het tuchtcollege – zo blijkt uit de cijfers van de laatste jaren - iets minder dan de helft gegrond. In die gevallen kan de tuchtrechter verschillende maatregelen opleggen: een waarschuwing, een berisping, een geldboete, een schorsing voor maximaal één jaar, een gedeeltelijke ontzegging om het beroep van arts uit te oefenen en tot slot doorhaling als arts.

Sinds 1 juli 2012 wordt van een opgelegde tuchtmaatregel ook aantekening gemaakt in het BIG-register. Alleen bij een waarschuwing volgt geen aantekening. De aantekening blijft gedurende vijf jaar zichtbaar.
Een aangeklaagde arts is niet verplicht om in de tuchtprocedure juridische bijstand in te roepen; verstandig is het echter wel.

Op 15 januari 2015 heeft de KNMG gereageerd op de resultaten van de tweede evaluatie van de Wet BIG en de reactie van minister Schippers daarop. Een deel van de plannen van de minister voor de wijziging van de wet BIG is eind september 2015 ter consultatie voorgelegd. De KNMG reageerde hierop via de openbare internetconsultatie "Wet modernisering tuchtrecht Wet BIG" van het ministerie van VWS. Op 13 december 2016 heeft de minister het wetsvoorstel "Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met de verbeteringen die worden doorgevoerd in het tuchtrecht, alsmede verbeteringen ten aanzien van het functioneren van de wet" naar de Tweede Kamer gestuurd. De KNMG heeft hierop gereageerd.

De KNMG vindt het belangrijk dat de beroepsgroep van de uitspraken van de tuchtrechter kennis kan nemen en hieruit zo nodig lering trekt. Wekelijks publiceert Medisch Contact een uitspraak voorzien van commentaar

Daarnaast publiceren de KNMG-juristen in Medisch Contact een wekelijkse selectie van actuele opvallende uitspraken op het gebied van het gezondheidsrecht.

    KNMG nieuws

    KNMG standpunten | richtlijnen | informatie

    KNMG columns

    Praktijkdilemma's KNMG Artseninfolijn

    • Hoe werkt het tuchtrecht?

      In de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: ‘Wet BIG’) is het tuchtrecht voor de gezondheidszorg geregeld.

      Wie valt er onder het medisch tuchtrecht?

      In artikel 47 lid 2 Wet BIG wordt opgesomd welke beroepsgroepen onder het tuchtrecht vallen. Dit zijn de arts, tandarts, apotheker, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, fysiotherapeut, verloskundige, verpleegkundige. Beroepsgroepen die hier niet genoemd zijn vallen derhalve niet onder het medisch tuchtrecht van de Wet BIG.

      Doel van het tuchtrecht

      In het tuchtrecht staat de kwaliteit van het handelen van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg centraal. Het doel van het tuchtrecht is dan ook de kwaliteit van het handelen van de individuele beroepsbeoefenaar te bewaken. De patiënt kan bij de tuchtrechter niet terecht om een (financiële) genoegdoening te krijgen. Daarvoor bestaan andere wegen.

      Twee tuchtnormen

      In artikel 47 Wet BIG worden twee tuchtnormen gegeven. Aan de hand hiervan wordt door de tuchtrechter bepaald of het tuchtrecht van toepassing is. Valt een gedraging niet onder een van deze twee tuchtnormen dan kan de tuchtrechter ook geen uitspraak over de zaak doen en derhalve geen maatregel opleggen.          

      De eerste tuchtnorm heeft betrekking op het handelen of nalaten in strijd met de zorg die de beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort te betrachten. Hieronder vallen bijvoorbeeld het stellen van een verkeerde of te late diagnose, het onvoldoende informeren over de behandeling, het voorschrijven van verkeerde medicijnen of het schenden van het beroepsgeheim. De hulpverlener moet naast de patiënt ook jegens familie en huisgenoten van de patiënt deze zorg betrachten.

      De tweede tuchtnorm heeft betrekking op het handelen of nalaten in de hoedanigheid van hulpverlener dat in strijd is met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.  Hieronder kunnen  diverse zaken vallen waaronder verzekeringsfraude, het niet toelaten van een collega tot een waarneemregeling en onjuist optreden in de media.

      Wie kunnen klagen?

      Bij het Regionaal Tuchtcollege kan de rechtstreeks belanghebbende klagen (art. 65 lid 1 Wet BIG). Bijvoorbeeld de  patiënt. Verder valt te denken aan familieleden of kinderen van de patiënt en de (wettelijk) vertegenwoordiger  (bijvoorbeeld de ouders of voogd van minderjarigen of de curator of mentor voor wilsonbekwamen). Ook een collega hulpverlener kan belanghebbenden zijn als hij vindt dat door onzorgvuldig handelen van een collega het resultaat van zijn eigen werk in gevaar is gekomen.

      Verder kunnen bij het Tuchtcollege de werkgever of  het bestuur van een instelling waar een (vrijgevestigde) hulpverlener werkzaam is een klacht indienen. Ook degene die aan iemand die onder het tuchtrecht valt een opdracht heeft gegeven (bijv. een arts die aan een verpleegkundige de opdracht heeft gegeven een voorbehouden handeling uit te voeren) kan een klacht indienen. De (hoofd)inspecteur voor de Gezondheidszorg, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat, kan ook een klacht indienen bij het tuchtcollege.

      Procedure

      Nadat een klacht schriftelijk bij de secretaris van een tuchtcollege is ingediend wordt een vooronderzoek gestart. Dit vooronderzoek heeft tot doel meer informatie te verzamelen, te toetsen of het college de klacht wel kan behandelen en te proberen een minnelijke schikking te bereiken. Wordt deze bereikt dan vervalt daarmee de klacht. Is een minnelijke schikking niet mogelijk, dan wordt een (in beginsel) openbare zitting belegd. De klager en de aangeklaagde hebben het recht om op de zitting te verschijnen en kunnen zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde of laten bijstaan door een raadsman. Een procedure bij het tuchtcollege is in beginsel kosteloos, de kosten voor een raadsman en evt. door hen opgeroepen getuigen en deskundigen zijn echter voor rekening van partijen.

      Welke maatregelen kan een tuchtrechter opleggen?

      Het tuchtcollege kan ingevolge artikel 48 lid 1 Wet BIG de volgende tuchtrechtelijke maatregelen opleggen:

      • waarschuwing;
      • berisping;
      • geldboete van ten hoogste 4500 euro;
      • (voorwaardelijke) schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor ten hoogste een jaar;
      • gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid het betrokken beroep uit te oefenen;
      • doorhalen van de inschrijving in het register.

      Ook is het mogelijk dat de tuchtrechter een combinatie van een geldboete en een schorsing oplegt.

      Spoedprocedure

      Op verzoek van de Inspectie kan het Tuchtcollege bepaalde zaken met spoed behandelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om zaken waarbij door het onzorgvuldig handelen van de arts risico’s voor de volksgezondheid ontstaan. De klager kan een verzoek tot een spoedprocedure bij de inspectie indienen. Heeft de inspecteur een verzoek tot een spoedprocedure gedaan dan mogen kortere termijnen aangehouden worden. Zo kan afgeweken worden van de termijn van drie weken, die geldt voor het uitnodigen van partijen te verschijnen op de zitting.

      Centraal Tuchtcollege

      Binnen 6 weken na het verschijnen van een eindbeslissing van het Regionaal Tuchtcollege kan bij het Centraal Tuchtcollege in Den Haag schriftelijk beroep worden ingesteld (art. 73 lid 1 Wet BIG). Beroep kan worden ingesteld door de klager voor zover zijn klacht is afgewezen of voor zover zijn klacht niet-ontvankelijk is verklaard. Degene over wie is geklaagd kan altijd tegen een eindbeslissing van het Regionaal Tuchtcollege beroep instellen. Ook heeft de (hoofd)inspecteur voor  de Gezondheidszorg altijd het recht in hoger beroep te gaan tegen een eindbeslissing van het Regionaal Tuchtcollege.

    Delen via

    Terug naar boven Stel uw vraag!
    Uw browser wordt niet ondersteund. Sommige functies van deze site werken mogelijk niet correct. Wij adviseren u een andere browser te gebruiken.