Soms is het noodzakelijk om patiënten in hun vrijheid te beperken. Dat kan bijvoorbeeld nodig zijn bij mensen met gevorderde dementie of een verstandelijke beperking. Of bij mensen met een psychiatrische aandoening die zichzelf of anderen mogelijk nadeel kunnen toebrengen. Vrijheidsbeperking kan verschillende vormen aannemen, bijvoorbeeld dwangmedicatie of het beperken van de fysieke vrijheid van de patiënt (de deur op slot doen). Het uitgangspunt bij vrijheidsbeperkende maatregelen is: ‘nee, tenzij’.
Onvrijwillige zorg bij mensen met gevorderde dementie of een verstandelijke beperking wordt geregeld in de Wet zorg en dwang (Wzd). Voor het afwegen van vrijheidsbeperkende maatregelen is een WZD-stappenplan ontwikkeld.
Voor mensen bij wie een psychische stoornis leidt tot gedrag dat ernstig nadeel (gevaar) veroorzaakt voor henzelf of voor anderen, geldt de Wet verplichte GGZ (Wvggz). Op grond van deze wet kan verplichte zorg worden toegepast.
Bij vrijheidsbeperking kan soms het morele dilemma spelen of het (mogelijke) gevaar reëel is en of de (mogelijke) nadeel zo ernstig is dat dit de vrijheidsbeperking rechtvaardigt.