Openheid na incidenten

Jaarlijks voeren artsen zo’n 30.000 gesprekken met patiënten en hun naasten over zorg die anders liep dan bedoeld. Of er nu sprake is van een complicatie, een fout of te hoog gespannen verwachtingen van de patiënt, artsen staan voor de moeilijke opgave om op eigen initiatief en op korte termijn een goed gesprek te voeren, over de feiten én de impact van het incident.

Dit gesprek is belangrijk voor patiënt én arts: het helpt om het vertrouwen tussen patiënt en arts te behouden of te herstellen. Patiënten waarderen een open houding en accepteren na een goede uitleg eerder dat zaken niet goed zijn gelopen. Het voorkomt vaak misverstanden en escalatie in bijvoorbeeld een klacht, tuchtprocedure of schadeclaim. Het biedt bovendien de beste kans om te leren van het incident en zo de zorg veiliger te maken. KNMG-onderzoek uit 2016 laat zien dat artsen een open communicatie met de patiënt over incidenten essentieel vinden. Het is belangrijk dat werkgevers deze openheid bevorderen en artsen altijd steunen. Tegelijk hebben incidenten een grote impact en verdient structurele opvang veel meer aandacht.

Open over incidenten: het mag én moet

Artsen moeten incidenten zo snel mogelijk bespreken met patiënten. Zij mogen daarbij openlijk spreken over eventuele fouten. Polisvoorwaarden van aansprakelijkheidsverzekering staan daaraan niet in de weg, zolang de arts bij de feiten blijft. Dit is op aandringen van de KNMG vastgelegd in de Gedragscode Openheid medische incidenten; betere afwikkeling Medische Aansprakelijkheid (GOMA).

Ook de Wet Kwaliteit, klachten en geschillen in de zorg (Wkkgz) bepaalt dat artsen zo snel mogelijk na ontdekking van een incident de patiënt hierover moeten informeren en aantekening moeten maken in het dossier van een incident met mogelijk schadelijke gevolgen voor de patiënt, met daarbij de namen van de bij het incident betrokken zorgverleners.

Ondersteuning

Collegiale steun is belangrijk en dat mag nog worden uitgebreid naar meer gestructureerde opvang. Dit blijkt uit KNMG-onderzoek en een enquête van de Federatie Medisch Specialisten. De werkomgeving moet meer oog krijgen voor de behoefte aan ondersteuning van artsen, die vaak in een moeilijk en confronterend proces komen als ze met een incident te maken krijgen. Wat daarbij het beste werkt (peer support, intervisie, ondersteuning via de klachtenfunctionaris of bijvoorbeeld een commissie collegiale ondersteuning) kan per setting verschillen. De KNMG ondersteunt artsen met praktische informatie en advies via de KNMG Artseninfolijn en neemt waar nodig standpunten in.

KNMG nieuws

KNMG standpunten | richtlijnen | informatie

KNMG columns

Praktijkdilemma's

  • Een tuchtklacht, wat nu?

    Casus

    ‘Er is een klacht tegen mij ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Ik moet binnen vier weken schriftelijk reageren op het klaagschrift. Wat moet ik doen?’

    Advies KNMG

    Bij een tuchtklacht luidt ons eerste advies om dat niet voor u zelf te houden, maar te delen met uw werkgever en uw collega’s. Het is van belang dat zij weten wat er speelt, zodat zij u daarbij kunnen steunen. Weet ook dat u op grond van uw toelatings- en arbeidsovereenkomst vaak ook verplicht bent uw leidinggevende of directie te informeren.

    Zorginstellingen kunnen u ook juridische bijstand verlenen, bijvoorbeeld via hun jurist of verzekeraar. De ervaring leert dat rechtsbijstandsverzekeraars van het begin af aan betrokken willen zijn bij de ondersteuning van uw klacht. Houd u daar rekening mee. Dit alles geldt ook indien u een beroep wilt doen op uw persoonlijke rechtsbijstandsverzekeraar. Kortom, houd een tuchtklacht niet voor u en informeer werkgever, collega’s en rechtsbijstandsverzekeraar.

    Als u geen rechtsbijstandsverzekeraar heeft en ook anderszins geen juridische ondersteuning ontvangt, maar lid bent van één van de federatiepartners van de KNMG, dan kan een jurist van de KNMG u adviseren bij het opstellen van uw verweer en het verloop van de procedure. Zo nodig kan dan worden besloten om een advocaat  in de arm nemen, die voor uw kosten komt. Deze kan u bijstaan als het tot een zitting komt. De KNMG heeft helaas geen mogelijkheid een dergelijke begeleiding te bieden of u bij te staan op een zitting.

    Een procedure bij het tuchtcollege is in beginsel kosteloos, de kosten voor een raadsman en eventueel door hen opgeroepen getuigen en deskundigen zijn echter voor rekening van de partijen. Houd u er  rekening mee dat een procedure bij het tuchtcollege een jaar in beslag kan nemen, afhankelijk van onder andere de complexiteit van de zaak. Veelal is er dan hoger beroep mogelijk. Ook die procedure kan een jaar duren.

    Zie ook

  • Hoe werkt het tuchtrecht?

    In de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: ‘Wet BIG’) is het tuchtrecht voor de gezondheidszorg geregeld.

    Wie valt er onder het medisch tuchtrecht?

    In artikel 47 lid 2 Wet BIG wordt opgesomd welke beroepsgroepen onder het tuchtrecht vallen. Dit zijn de arts, tandarts, apotheker, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, fysiotherapeut, verloskundige, verpleegkundige. Beroepsgroepen die hier niet genoemd zijn vallen derhalve niet onder het medisch tuchtrecht van de Wet BIG.

    Doel van het tuchtrecht

    In het tuchtrecht staat de kwaliteit van het handelen van een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg centraal. Het doel van het tuchtrecht is dan ook de kwaliteit van het handelen van de individuele beroepsbeoefenaar te bewaken. De patiënt kan bij de tuchtrechter niet terecht om een (financiële) genoegdoening te krijgen. Daarvoor bestaan andere wegen.

    Twee tuchtnormen

    In artikel 47 Wet BIG worden twee tuchtnormen gegeven. Aan de hand hiervan wordt door de tuchtrechter bepaald of het tuchtrecht van toepassing is. Valt een gedraging niet onder een van deze twee tuchtnormen dan kan de tuchtrechter ook geen uitspraak over de zaak doen en derhalve geen maatregel opleggen.          

    De eerste tuchtnorm heeft betrekking op het handelen of nalaten in strijd met de zorg die de beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort te betrachten. Hieronder vallen bijvoorbeeld het stellen van een verkeerde of te late diagnose, het onvoldoende informeren over de behandeling, het voorschrijven van verkeerde medicijnen of het schenden van het beroepsgeheim. De hulpverlener moet naast de patiënt ook jegens familie en huisgenoten van de patiënt deze zorg betrachten.

    De tweede tuchtnorm heeft betrekking op het handelen of nalaten in de hoedanigheid van hulpverlener dat in strijd is met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.  Hieronder kunnen  diverse zaken vallen waaronder verzekeringsfraude, het niet toelaten van een collega tot een waarneemregeling en onjuist optreden in de media.

    Wie kunnen klagen?

    Bij het Regionaal Tuchtcollege kan de rechtstreeks belanghebbende klagen (art. 65 lid 1 Wet BIG). Bijvoorbeeld de  patiënt. Verder valt te denken aan familieleden of kinderen van de patiënt en de (wettelijk) vertegenwoordiger  (bijvoorbeeld de ouders of voogd van minderjarigen of de curator of mentor voor wilsonbekwamen). Ook een collega hulpverlener kan belanghebbenden zijn als hij vindt dat door onzorgvuldig handelen van een collega het resultaat van zijn eigen werk in gevaar is gekomen.

    Verder kunnen bij het Tuchtcollege de werkgever of  het bestuur van een instelling waar een (vrijgevestigde) hulpverlener werkzaam is een klacht indienen. Ook degene die aan iemand die onder het tuchtrecht valt een opdracht heeft gegeven (bijv. een arts die aan een verpleegkundige de opdracht heeft gegeven een voorbehouden handeling uit te voeren) kan een klacht indienen. De (hoofd)inspecteur voor de Gezondheidszorg, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat, kan ook een klacht indienen bij het tuchtcollege.

    Procedure

    Nadat een klacht schriftelijk bij de secretaris van een tuchtcollege is ingediend wordt een vooronderzoek gestart. Dit vooronderzoek heeft tot doel meer informatie te verzamelen, te toetsen of het college de klacht wel kan behandelen en te proberen een minnelijke schikking te bereiken. Wordt deze bereikt dan vervalt daarmee de klacht. Is een minnelijke schikking niet mogelijk, dan wordt een (in beginsel) openbare zitting belegd. De klager en de aangeklaagde hebben het recht om op de zitting te verschijnen en kunnen zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde of laten bijstaan door een raadsman. Een procedure bij het tuchtcollege is in beginsel kosteloos, de kosten voor een raadsman en evt. door hen opgeroepen getuigen en deskundigen zijn echter voor rekening van partijen.

    Welke maatregelen kan een tuchtrechter opleggen?

    Het tuchtcollege kan ingevolge artikel 48 lid 1 Wet BIG de volgende tuchtrechtelijke maatregelen opleggen:

    • waarschuwing;
    • berisping;
    • geldboete van ten hoogste 4500 euro;
    • (voorwaardelijke) schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor ten hoogste een jaar;
    • gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid het betrokken beroep uit te oefenen;
    • doorhalen van de inschrijving in het register.

    Ook is het mogelijk dat de tuchtrechter een combinatie van een geldboete en een schorsing oplegt.

    Spoedprocedure

    Op verzoek van de Inspectie kan het Tuchtcollege bepaalde zaken met spoed behandelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om zaken waarbij door het onzorgvuldig handelen van de arts risico’s voor de volksgezondheid ontstaan. De klager kan een verzoek tot een spoedprocedure bij de inspectie indienen. Heeft de inspecteur een verzoek tot een spoedprocedure gedaan dan mogen kortere termijnen aangehouden worden. Zo kan afgeweken worden van de termijn van drie weken, die geldt voor het uitnodigen van partijen te verschijnen op de zitting.

    Centraal Tuchtcollege

    Binnen 6 weken na het verschijnen van een eindbeslissing van het Regionaal Tuchtcollege kan bij het Centraal Tuchtcollege in Den Haag schriftelijk beroep worden ingesteld (art. 73 lid 1 Wet BIG). Beroep kan worden ingesteld door de klager voor zover zijn klacht is afgewezen of voor zover zijn klacht niet-ontvankelijk is verklaard. Degene over wie is geklaagd kan altijd tegen een eindbeslissing van het Regionaal Tuchtcollege beroep instellen. Ook heeft de (hoofd)inspecteur voor  de Gezondheidszorg altijd het recht in hoger beroep te gaan tegen een eindbeslissing van het Regionaal Tuchtcollege.

Delen via

Terug naar boven Stel uw vraag!