De adviescommissie adviseert de RGS over het op bezwaar te nemen besluit (de "BOB"). De RGS is niet verplicht het advies te volgen, maar kan daarvan gemotiveerd afwijken. Nadat het advies is uitgebracht (door de adviescommissie) en de beslissing op bezwaar is genomen (door de RGS), wordt een samenvatting van het advies in het lopende jaar op deze website geplaatst (zie hieronder) en in het jaarverslag opgenomen.
De RGS besloot om de inschrijving van de arts in het specialistenregister niet te hernieuwen: de arts werkte onvoldoende in het specialisme, nam deel aan onvoldoende deskundigheidsbevorderende activiteiten, nam niet deel aan evaluatie individueel functioneren en nam niet deel aan externe kwaliteitsevaluatie. De adviescommissie overwoog naar aanleiding van het bezwaar dat het onvoldoende deelnemen aan geaccrediteerde deskundigheidsbevordering bepalend was voor het besluit dat de arts niet in aanmerking kwam voor herregistratie, omdat dit de kortste periode van herregistratie (namelijk geen) met zich meebracht in vergelijking met (de mate van) het voldoen aan de andere herregistratievereisten (wat had kunnen leiden tot een herregistratie voor beperkte duur). Daarbij verwees de adviescommissie naar de door het College Geneeskundig Specialismen (CGS), in overleg met de betrokken wetenschappelijke verenigingen, vastgestelde regelgeving. De regelgeving bevat (minimum)criteria voor de herregistratie, voor de duur en de ingangsdatum hiervan en de te hanteren beoordelingsperiode. In iedere afzonderlijke beoordelingsperiode dient aan alle herregistratievereisten afzonderlijk te zijn voldaan. Indien de specialist niet volledig voldoet aan de vereisten, kan diens inschrijving voor een beperkte periode worden verlengd. Hierover is in de Beleidsregels RGS opgenomen dat bij niet-voldoen aan meerdere herregistratie-eisen, herregistratie plaatsvindt voor de kortste periode waarvoor op grond van de verschillende herregistratie-eisen recht bestaat. In bezwaar bleek uit – na het nemen van het besluit – in GAIA toegevoegde informatie dat de arts in de beoordelingsperiode toch had deelgenomen aan de kwaliteitsvisitatie. Dit was dus geen reden meer om de herregistratieduur te beperken. In de beslissing op bezwaar kon dit worden meegenomen.
Het leidde echter niet tot een inhoudelijk ander besluit. Voor wat betreft de werkzaamheden overwoog de adviescommissie dat de RGS mocht uitgaan van de door de werkgever hierover verstrekte verklaring. De arts legde geen bewijsstukken over waaruit op objectieve wijze de aard, duur en omvang van meer werkzaamheden bleek. Verder oordeelde de adviescommissie dat vaststond dat de deelname van de arts aan de Evaluatie individueel functioneren buiten de beoordelingsperiode viel en dus niet in aanmerking kon worden genomen. Beoordeling of de door de arts aangehaalde omstandigheden tekwalificeren waren als bijzondere omstandigheden die afwijking van de regelgeving op dit specifieke punt rechtvaardigden, kon in het midden blijvenomdat een alternatieve beoordeling van dit herregistratievereiste niet zou leiden tot een inhoudelijk ander besluit. Bovendien is coulance op dit punt al in de regelgeving meegenomen, omdat het niet voldoen aan de EIF alsnog had kunnen leiden tot een herregistratie, maar dan van beperkte duur. Over de deskundigheidsbevordering overwoog de adviescommissie dat de RGS bij de toetsing daarvan mocht uitgaan van de gegevens die in GAIA waren geaccrediteerd. Aan de hand van GAIA stelde de RGS terecht vast dat de arts in de beoordelingsperiode deelnam aan minder dan 100 uur deskundigheidsbevordering. Van deelname aan en accreditatie van de door de arts specifiek genoemde nascholing legde de arts geen bewijs over. Aangezien de arts deelnam aan minder dan de voor enige herregistratieduur minstens vereiste 100 uur geaccrediteerde deskundigheidsbevorderende activiteiten, oordeelde de adviescommissie dat de RGS terecht besloot dat de arts niet kon worden geherregistreerd, ook niet voor beperkte duur. Dat de arts (deels) voldeed aan de andere vereisten leidde niet tot een ander besluit.
De adviescommissie oordeelde voorts dat de RGS in dit geval terecht het algemene belang bij het toepassen van de regelgeving liet prevaleren boven het belang van de arts bij herregistratie. Terecht deed de RGS, gelet op het publieke belang, geen concessies aan de eisen die aan de praktiserende specialisten worden gesteld. Het besluit was zorgvuldig tot stand gekomen, was niet disproportioneel en er was geen aanleiding voor een andere afweging. Daarbij overwoog de adviescommissie dat de arts in de beoordelingsperiode voldoende gelegenheid had om minimaal 100 punten te behalen voor een herregistratie van minimaal tweeëneenhalf jaar. Dat de arts koos voor specifieke deskundigheidsbevordering, diende voor zijn eigen rekening en risico te komen. Het had op zijn weg gelegen om de accreditatie daarvan vooraf te verifiëren. Gelet op de systematiek van de regelgeving en de accreditatie van deskundigheid konden verklaringen van derden over de deskundigheid van een specialist in algemene zin, niet tot een ander oordeel leiden.
De adviescommissie adviseerde de RGS om in heroverweging het bestreden besluit in stand te laten, onder aanpassing van de motivering op het punt van de externe kwaliteitsvisitatie.